Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
06-03-2007
Zaaknummer
06-3673 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kortin op WW-uitkering. Onvoldoende sollicitatie activiteit. Concreet en verifieerbaar. Uitzicht op nieuwe baan ontheft niet van verplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3673 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2006, 05/5311 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 februari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2007. Appellant is -met bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.L.J. Weltevrede, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt voor zijn beoordeling van het voorliggende geschil. De Raad volstaat hier met het volgende.

2.1. Bij het thans bestreden besluit van 11 oktober 2005 heeft het Uwv zijn standpunt dat appellant in de periode van 9 mei 2005 tot en met 5 juni 2005 onvoldoende heeft gesolliciteerd, gehandhaafd. Hierbij heeft het Uwv overwogen dat appellant op 7 juni 2005 (lees: 2 juni 2005), derhalve na de desbetreffende periode, een arbeidsovereenkomst met [naam werkgever] te [vestigingsplaats] heeft ondertekend. Het Uwv is van mening dat er derhalve in de even genoemde periode nog niets concreets was vastgelegd en het appellant ook nog niet bekend was dat hij per 22 augustus 2005 bij genoemd bedrijf in dienst zou treden, zodat van appellant verwacht mocht worden dat hij alles wat in zijn mogelijkheid lag zou doen om te voorkomen dat hij werkloos bleef. Appellant diende in afwachting van het contract te solliciteren naar opvulwerk.

Ten aanzien van de door appellant in bezwaar overgelegde lijst van werkgevers heeft het Uwv aangegeven dat hij met zes van deze werkgevers (twee in de bezwaarfase en vier tijdens het beroep) contact heeft opgenomen. Geen van deze werkgevers hebben een bevestigend antwoord gegeven op de vraag of appellant in de desbetreffende periode gesolliciteerd heeft. Het Uwv is van mening dat de opgegeven sollicitaties daarom niet verifieerbaar zijn. Voorts is het Uwv van mening dat de opgegeven sollicitaties niet voldoende concreet zijn, omdat niet gebleken is dat appellant gesolliciteerd heeft op specifieke vacatures of bij een specifieke werkgever.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellant daadwerkelijk bij de door hem genoemde werkgevers heeft gesolliciteerd in de periode van 9 mei 2005 tot en met 5 juni 2005. De rechtbank is van oordeel dat appellant zijn sollicitatieverplichting onvoldoende heeft nageleefd. Het beschikken over een nieuwe vaste baan per 22 augustus 2005 kan niet aangemerkt worden als reden voor verminderde verwijtbaarheid, omdat de tussenliggende periode bijna 3 maanden is en van appellant verwacht had mogen worden dat hij tussentijds solliciteert naar opvularbeid.

4. Appellant stelt in hoger beroep dat zijn sollicitatieactiviteiten wel verifieerbaar zijn nu door hem is aangegeven op welke datum, bij welk bedrijf en met wie hij heeft gesproken; dat de werkgevers niet meer wisten of hij gesolliciteerd had doet hieraan niet af. Daarnaast is appellant van mening dat er door het Uwv onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheid dat hij reeds een vaste baan in het vooruitzicht had en hij dus nog slechts voor 1 maand zou moeten solliciteren.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De vraag of de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, in rechte stand kan houden beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad kan zich verenigen met de in de aangevallen uitspraak vervatte overwegingen. Ook de Raad is van oordeel dat appellant, die aanspraak maakte op een WW-uitkering, ondanks het vooruitzicht op een vaste aanstelling, gehouden was te voldoen aan de sollicitatieplicht zoals verwoord in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW. Appellant diende derhalve minimaal één concrete en verifieerbare sollicitatie per week te verrichten. Eerst na een derde verzoek van het Uwv tot opgave van sollicitatieactiviteiten heeft appellant aangegeven dat hij deze wel heeft ondernomen. Het Uwv heeft echter van geen enkele van de door appellant genoemde sollicitatieactiviteiten kunnen vaststellen dat deze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, zodat de Raad -met de rechtbank- van oordeel is dat deze niet verifieerbaar zijn en appellant zijn sollicitatieverplichting onvoldoende heeft nageleefd. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv terecht de uitkering van appellant gedurende 16 weken met 20% verlaagd.

Dat appellant aan het einde van de desbetreffende beoordelingsperiode wist dat hij een vaste baan in het vooruitzicht had, geeft de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding voor het oordeel dat het niet nakomen van de sollicitatieverplichting hem niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) P. Boer.