Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
06-03-2007
Zaaknummer
04-6620 WAO+04-6618 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Weigering ziekengeld, na ziekmelding vanuit WW-situatie. Geschiktheid voor eigen werk en geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6620 WAO, 04/6618 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 november 2004, 03/2108 en 03/900 (hierna respectievelijk aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr.dr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld tegen beide uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.W. Ketelaars, kantoorgenoot van mr.dr. Oey. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

WAO-zaak

Appellante was laatstelijk fulltime in ploegendienst werkzaam als productiemedewerkster in een eierenverwerkend bedrijf. Op 18 juni 2001 meldde zij zich ziek met psychische klachten. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij ook inlichtingen van de behandelend psychiater L.H.C. Raemaekers werden betrokken, en arbeidskundig onderzoek, waarbij werd vastgesteld dat appellante weer geschikt was voor haar eigen werk alsmede voor gangbare arbeid in de vorm van een aantal voor haar geselecteerde functies, heeft het Uwv appellante bij besluit van 11 juni 2002 bericht dat zij geen recht had op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellante werd in staat geacht met arbeid die zij met haar medische beperkingen en bekwaamheden nog kon verrichten een zodanig inkomen te verdienen dat zij geen relevant verlies aan verdiencapaciteit had. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts gelet op de onduidelijkheden in de medische bevindingen een psychiatrische expertise noodzakelijk geacht. Deze is verricht op 16 januari 2003 door de psychiater J.D.J. Tilanus, die zijn rapport, gedateerd 30 januari 2003, op 24 maart 2003 aan de bezwaarverzekeringsarts heeft uitgebracht. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts inlichtingen van de psychotherapeut H.M. Schepers en de arts-assistent J. Neijssen in zijn beoordeling betrokken. Zijn conclusie luidde dat appellante op en na 17 juni 2002 geen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als rechtstreeks en objectief vaststelbaar gevolg van ziekte of gebrek had. Daarop heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 24 juli 2003 (hierna: bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante tegen de weigering van de WAO-uitkering ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard, onder overweging dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellante voor arbeid volledig en zorgvuldig is geschied. De rechtbank kon zich vinden in het feit dat het Uwv doorslaggevende betekenis had toegekend aan het rapport van psychiater Tilanus, en overwoog tot slot dat geen andere medische informatie voorlag op grond waarvan geconcludeerd had moeten worden dat bij appellante wel sprake was van een ziekte of gebrek in de zin van de WAO.

Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1, voorzover daarbij ongegrond is verklaard het bezwaar van appellante tegen de weigering van een WAO-uitkering met ingang van 17 juni 2002.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank in aangevallen uitspraak 1 en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Appellante heeft in hoger beroep geen andere medische informatie overgelegd dan in de beroepsfase. Met betrekking tot haar stelling dat zij ten tijde in geding op grond van een psychiatrische stoornis arbeidsongeschikt was, verwijst de Raad naar de overwegingen van de rechtbank waarin deze motiveert waarom het Uwv doorslaggevende betekenis kon toekennen aan het rapport van de psychiater Tilanus, waarbij tevens is ingegaan op de inhoud van de informatie van de psychotherapeut Schepers.

De Raad concludeert dat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1, voorzover daarbij het bezwaar tegen de weigering van WAO-uitkering per 17 juni 2002 ongegrond is verklaard, terecht ongegrond heeft verklaard. Daaruit volgt dat aangevallen uitspraak 1, voorzover aangevochten, bevestigd dient te worden.

ZW-zaak

Aan appellante is met ingang van 17 juni 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Zij heeft zich op 10 januari 2003 ziek gemeld met maagklachten en hoofdpijn. De verzekeringsarts heeft haar op 14 februari 2003 op het spreekuur gezien en geconstateerd dat de maag- en hoofdpijnklachten na behandeling dermate waren verbeterd dat deze op dat moment geen aanleiding gaven tot beperkingen van de belastbaarheid, terwijl de psychische klachten volgens appellante ongewijzigd waren. De verzekeringsarts constateerde geen toename van beperkingen en achtte appellante per 17 februari 2003 hersteld. Bij besluit van 18 februari 2003 heeft het Uwv de uitkering van ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) aan appellante beëindigd. In het kader van de heroverweging in de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante lichamelijk en psychisch onderzocht en kennis genomen van de uitslag van de door de psychiater Tilanus verrichte expertise. Geconcludeerd werd dat er geen aanleiding bestond tot herziening van de medische grondslag van het primaire besluit. Daarop heeft het Uwv het bezwaar bij besluit op bezwaar van 25 maart 2003 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts en naar aangevallen uitspraak 1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat zij op 17 februari 2003 nog ongeschikt zou zijn haar eigen vroegere arbeid dan wel de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies te verrichten.

Aangevallen uitspraak 2 komt dan ook eveneens voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.J. Janssen.

TM