Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
05-03-2007
Zaaknummer
05-91 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO- uitkering. Verbeterde medische technieken. Verzoek om terug te komen van. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/91 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 26 november 2004, 04/605 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 december 2006 heeft appellante nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schyns en door dr. B.J.N. Potma, orthopedisch chirurg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellante is op 20 november 1977 uitgevallen voor haar werk als verkoopster wegens klachten van onder meer de linker schouder, die waren opgetreden nadat zij in 1976 van een keldertrap was gevallen.

Met ingang van 22 november 1978 is aan appellante een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 14 september 1981 is deze uitkering met ingang van 1 juli 1981 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid toen minder dan 15% was.

Als gevolg van de uitspraak van de Raad van 13 november 1990 is dit besluit onherroepelijk geworden.

Bij besluit van 17 januari 1999 heeft het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 14 september 1981 afgewezen.

Bij besluit van 7 juni 2000 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 17 januari 1999 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2003 heeft de Raad het besluit van 7 juni 2000 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 14 april 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 17 januari 1999 opnieuw ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante, kort samengevat, aangevoerd dat zij door het labrumletsel dat bij de val in 1976 is ontstaan doorlopend volledig arbeidsongeschikt is geweest, zodat de uitkering in 1981 ten onrechte is ingetrokken. Door verbeterde medische technieken zijn de bij appellante bestaande medische afwijkingen pas veel later vastgesteld, in het bijzonder door een in 1996 uitgevoerde MRI-scan. Voorts is het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het besluit van 14 september 1981 niet zorgvuldig geweest, met name niet omdat dit onderzoek onbelast, zonder dat appellante werkzaamheden verrichtte is uitgevoerd. Indien het onderzoek belast was uitgevoerd zouden de beperkingen van appellante ook toen al aan de oppervlakte zijn gekomen.

De Raad overweegt als volgt.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt om niet terug te komen van voormeld besluit van 14 september 1981 is gebaseerd op een rapport van de bezwaarverzekeringsarts K.L. Tetelepta-Tan van 4 februari 2004. Hierin heeft de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van informatie van dr. Potma, voornoemd, de orthopedisch chirurg L.A.J. Rasing en de radioloog J. Mostart, geconcludeerd dat al zou het labrumletsel reeds in 1976 door het ongeval aanwezig zijn geweest, het feit blijft dat er in 1981 door twee deskundigen geen bewegingsbeperkingen zijn vastgesteld. Derhalve was er toen ook geen beperking in de belastbaarheid inzake de WAO. Het thans voorliggende MRI-resultaat staat hier volgens de bezwaarverzekeringsarts niet aan in de weg. Vervolgens heeft op 1 april 2004 een hoorzitting plaatsgevonden waar dr. Potma zijn visie op de klachten en beperkingen van appellante heeft uiteengezet. In een notitie van 7 april 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts Tetelepta-Tan commentaar geleverd op het verslag van de hoorzitting. Zij stelt dat daarin geen nieuwe feiten naar voren zijn gebracht, maar dat integendeel dr. Potma heeft bevestigd dat door diverse deskundigen die appellante in 1981 hebben onderzocht geen bewegingsbeperkingen werden gevonden.

Het is de Raad niet gebleken dat de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts van de door appellante gegeven argumenten en verstrekte medische informatie niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De Raad ziet ook in hetgeen door appellante in beroep en hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de door appellante verstrekte gegevens geen ander licht wierpen op de in 1981 vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad merkt hierbij op dat de stelling van appellante dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd omdat dit onbelast heeft plaatsgevonden, uit zijn aard geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is, maar een argument dat in het kader van de beroepsprocedure tegen het besluit van 14 september 1981 naar voren had kunnen worden gebracht.

Ten aanzien van de door appellante in beroep en hoger beroep overgelegde stukken overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2003, LJN: AO4564), dat het Uwv die stukken bij het voorbereiden van het bestreden besluit niet kende en daarmee dus ook geen rekening heeft kunnen houden. Reeds daarom kunnen deze stukken bij de beoordeling van dat besluit geen rol spelen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.

RB0202