Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9864

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
05-03-2007
Zaaknummer
06-1797 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag: geen wijziging in de omstandigheden van appellante sedert de intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1797 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2006, 05/3283 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.S. van Sprundel-Steenwinkel, werkzaam bij de gemeente Maassluis.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sinds 14 januari 2004 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft het College - voor zover hier van belang - de bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2004 ingetrokken op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [betrokkene] (hierna te noemen: [betrokkene]).

Op 23 september 2004 heeft appellante opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Bij besluit van 9 december 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 augustus 2005, heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken van een wijziging in de omstandigheden van appellante sedert de intrekking.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Indien een belanghebbende na beëindiging of intrekking van zijn bijstandsuitkering een nieuwe aanvraag om bijstand indient, ligt het volgens vaste rechtspraak van de Raad op diens weg om aan te tonen dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Het ligt derhalve op de weg van appellante aan te tonen dat zij ten tijde van de nieuwe aanvraag om bijstand niet langer met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding voerde.

Hoewel appellante in het kader van haar nieuwe aanvraag - samengevat - stelt dat zij geen gezamenlijke huishouding met [betrokkene] (meer) voert, heeft appellante die stelling niet nader onderbouwd terwijl zij daartoe door het College - in elk geval op 18 november 2004 - wel in de gelegenheid is gesteld. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante op die datum is verschenen bij L.D. van der Linde, sociaal rechercheur, maar heeft geweigerd een verklaring af te leggen en tevens heeft aangegeven dat haar raadsman contact zou opnemen. Een nadere toelichting op de door appellante ingenomen stelling is vervolgens achterwege gebleven.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot de conclusie leiden dat appellante ten tijde van de nieuwe aanvraag voldeed aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Het College heeft de aanvraag van appellante van 23 september 2004 dan ook terecht afgewezen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

JK/122007