Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
05-03-2007
Zaaknummer
05-126 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/126 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van

13 december 2004, 04/1569,

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 26 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. D. Gürses, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep keert zich tegen het besluit van 24 juni 2004, waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 25 november 2003 tot de weigering van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering na afloop van de wettelijke wachttijd ingaande

18 november 2003, primair, omdat appellante niet door ziekte of gebrek (langer) werd verhinderd tot het verrichten van haar eigen werk als meubelstikster, subsidiair, omdat zij geschikt is tot het verrichten van gangbare arbeid.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe onder meer het volgende overwogen, waarbij appellante eiseres en het Uwv gedaagde zijn genoemd:

“Gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts M.R. Sardar van 11 november 2003 en de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten van 7 mei 2004, is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder vastgestelde belastbaarheid van eiseres per 18 november 2003. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verzekeringsarts in zijn rapportage de bij de neuroloog P.J. de Jong ingewonnen informatie van 23 oktober 2003 waarin hij blijk geeft van zijn opvatting dat eiseres nog vrij veel pijn in de onderrug heeft zonder duidelijk objectiveerbare aanwijzingen voor een wortelprikkeling syndroom, heeft meegewogen. Voorts neemt de rechtbank in ogenschouw dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage rekening heeft gehouden met de brieven van de arbo-arts H. Mutsaerts van 24 september en 22 oktober 2003, de brief van de pijnbehandelaar O.J.N. Wajer, anesthesioloog, van 9 maart 2004 en het journaal van de huisarts

F.J. Froonhoff van 4 april 2004. Verweerder heeft beperkingen aangenomen ten aanzien van de geluidsbelasting, de trillingsbelasting, het dynamisch handelen en de statische houdingen.

Eiseres heeft betoogd dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische beperkingen, in welk verband een brief van de psychiater Y. Güzelcan van 14 september 2004 in het geding is gebracht. De psychiater stelt daarin, na een consult op 26 juli 2004, als hoofddiagnose een recidiverende depressieve stoornis zonder psychotische kenmerken. De rechtbank heeft in deze brief geen aanleiding gezien het bestreden besluit voor onjuist te houden, reeds omdat deze brief geen betrekking heeft op de gezondheidssituatie van eiseres op de in dit geding van belang zijnde datum van

18 november 2003. Afgezien daarvan worden in de brief geen onderzoeksgegevens aangetroffen waarop de diagnose is gebaseerd.

De stelling van eiseres dat verweerder haar lichamelijke beperkingen vanwege de rugklachten en de navelbreuk heeft onderschat, kan door de rechtbank evenmin worden onderschreven, omdat eiseres haar standpunt niet heeft onderbouwd met nadere medische informatie. De rechtbank verenigt zich daarom met de door verweerder ten aanzien van eiseres in aanmerking genomen medische beperkingen.

Verder heeft eiseres betoogd dat de medische grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank heeft evenwel, gelet op de door de verzekeringsarts bij de neuroloog ingewonnen informatie van

23 oktober 2003 en de door eiseres ingebrachte medische informatie geen concrete aanwijzingen gevonden voor deze stelling.

Geoordeeld moet worden dat eiseres op 18 november 2003 in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid.

In het kader van het arbeidskundig onderzoek is eiseres ondanks de aangenomen medische beperkingen geschikt geacht voor haar eigen werk van stikster van meubelstoffering. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 14 juni 2004 uitvoerig gemotiveerd waarom het eigen werk van stikster ondanks de aangenomen medische beperkingen geschikt is voor eiseres. Deze motivering biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende grondslag voor de conclusie dat de functie van stikster als passend kan worden aangemerkt.”

De Raad onderschrijft deze overwegingen. Hierop stuiten de door appellante in hoger beroep herhaalde gronden af. Anders dan appellante heeft aangevoerd, is het oordeel van de rechtbank genoegzaam gemotiveerd. De stelling dat de rechtbank de bezwaarverzekeringsgeneeskundige en bezwaararbeidsdeskundige “klakkeloos” heeft gevolgd, mist feitelijke grondslag. Voor het benoemen van een medisch deskundige ziet de Raad geen aanleiding.

Aan de bespreking van de overige, op de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit ziende gronden, kan de Raad voorbij gaan.

Een proceskostenveroordeling acht de Raad niet aangewezen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2007.