Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9756

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
05-03-2007
Zaaknummer
06-2608 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maximering van de urenomvang van de maatman. Artikelen 9 en 10 Schattingsbesluit 2004 onverbindend voor zover het beginsel van feitelijke inkomstenderving wordt verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2608 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 maart 2006, 05/3584 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 2 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.J. Bakker, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2006. Appellant was vertegenwoordigd door M.M.A. Landman en mr. M.M. de Boer-Veerman. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker.

II. OVERWEGINGEN

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.

Betrokkene, gedurende meer dan 38 uur per week werkzaam als (internationaal) vrachtwagenchauffeur, ontvangt sedert 9 september 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft appellant – beslissend op bezwaar gericht tegen zijn besluit van 17 januari 2005 – de WAO-uitkering van betrokkene per 13 maart 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.

Het besluit van appellant rust mede op het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder b, en artikel 10, eerste lid, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals vastgesteld op 18 augustus 2004 en in werking getreden op 1 oktober 2004 (Stb. 2004, 434, hierna: Schattingsbesluit 2004), regelende kort samengevat de maximering van de urenomvang van de maatman bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit op 38 uur per week.

Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank onder meer tot het oordeel gekomen dat de regeling van de maximering van de urenomvang van de maatman zoals opgenomen in het Schattingsbesluit 2004 verbindende kracht mist, zodat het op het Schattingsbesluit 2004 gebaseerde besluit van 17 augustus 2005 niet in stand kan blijven.

De rechtbank heeft het door betrokkene tegen het besluit van 17 augustus 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 augustus 2005 vernietigd, het besluit van 17 januari 2005 herroepen, de uitkering van betrokkene herzien met ingang van 13 maart 2005 en berekend naar een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Een en ander met nadere besluiten omtrent griffierecht en proceskosten.

In hoger beroep heeft appellant onder aanvoering van de in zijn beroepschrift opgesomde gronden bestreden het oordeel van de rechtbank dat de regeling van de maximering van de urenomvang van de maatman, zoals opgenomen in artikel 9, aanhef en onder b, en artikel 10, eerste lid, onder a, van het Schattingsbesluit 2004 verbindende kracht mist.

Betrokkene heeft zich achter de overwegingen en het oordeel van de rechtbank geschaard.

De Raad deelt niet de opvatting van appellant. Naar het oordeel van de Raad is het Schattingsbesluit 2004 voor zover dit besluit in de artikelen 9 en 10 het beginsel van de feitelijke inkomstenderving verlaat onverbindend. Voor de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag liggen verwijst de Raad naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van heden, nummer 06/2920 WAO.

Het hoger beroep van appellant slaagt mitsdien niet. De uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep welke worden begroot op € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door betrokkene wegens rechtsbijstand in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, aan betrokkene te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De uitspraak is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.