Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9690

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2007
Datum publicatie
06-03-2007
Zaaknummer
06-7434 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Heeft korpsbeheerder spoedeisend belang bij opschorting van werking uitspraak rechtbank? Voldoende bewijs van plichtsverzuim leidend tot strafontslag? Belang bij hervatting dienstverband?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7434 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 november 2006, 06/1765 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

verzoeker

Datum uitspraak: 26 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2007. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.E. Blonk, werkzaam bij de politieregio Utrecht. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J.M. van Sambeek, werkzaam bij de Politievakorganisatie ACP.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als administratief medewerkster C bij de Regionale Verkeersdienst van het district [district] van de Politie Utrecht. Betrokkene was in deze functie onder meer belast met het invoeren van bekeuringen in het administratieve verwerkingssysteem van de politie, het zogeheten TOBIAS-systeem. Betrokkene voerde haar werkzaamheden uit op het politiebureau te [plaatsnaam].

1.2. Op 7 maart 2005 heeft de Reinigings- en havendienst van de gemeente Utrecht op diverse plaatsen binnen de gemeente vuilniszakken opgehaald die te vroeg waren buitengezet. Ook in de buurt van betrokkenes woning zijn vuilniszakken opgehaald. De vuilniszakken zijn vervolgens onderzocht op adresgegevens teneinde de overtreders te kunnen achterhalen. Tijdens dit onderzoek zijn in één van de vuilniszakken 172 bekeuringen aangetroffen, welke nog niet in het TOBIAS-systeem verwerkt waren. Deze zijn overhandigd aan de politie. In de vuilniszak zijn geen gegevens aangetroffen waaruit de identiteit van de overtreder zou kunnen blijken.

1.3. Omdat bij verzoeker het vermoeden bestond dat betrokkene betrokken was bij het weggooien van de bewuste bekeuringen is er een disciplinair onderzoek gestart. In afwachting van de resultaten van dit onderzoek is betrokkene bij besluit van 20 april 2005 met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld.

1.4. Bij besluit van 13 september 2005 is betrokkene met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Volgens verzoeker is mede op basis van het disciplinair onderzoek voldoende aannemelijk geworden dat de bewuste bekeuringen door betrokkene zijn weggegooid. Door het weggooien heeft betrokkene zich willens en wetens onttrokken aan de haar opgedragen werkzaamheden. Tevens heeft zij de Staat hierdoor financieel nadeel berokkend en politie-informatie in de openbaarheid gebracht. Betrokkene heeft door haar handelen haar betrouwbaarheid en integriteit als medewerker van de politie Utrecht ernstig geschaad. Verzoeker heeft het besluit, na namens betrokkene gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 10 maart 2006.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verzoeker opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat onvoldoende feitelijk is komen vast te staan dat de in de vuilniszak aangetroffen bekeuringen door betrokkene daarin zijn gedaan. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verzoeker niet op goede gronden heeft geoordeeld dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, zodat het aan betrokkene gegeven disciplinaire ontslag de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. In de overwegingen van de rechtbank ziet verzoeker geen ruimte om het onvoorwaardelijk strafontslag wederom te handhaven. De voorzieningenrechter acht deze uitleg van de aangevallen uitspraak niet onjuist. Dit betekent dat bij een nieuw te nemen beslissing op het bezwaar het dienstverband met betrokkene zou moeten worden hersteld. Nu verzoeker de terugkeer van betrokkene in haar functie dan wel enige andere functie bij de Politie Utrecht ontoelaatbaar acht, heeft hij een spoedeisend belang bij opschorting van de werking van de aangevallen uitspraak. Dat door verzoeker verzocht is om uitstel van de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek, welk verzoek is gehonoreerd, wegens vakantie van verzoekers gemachtigde maakt het vorenstaande niet anders.

3.3. Dan komt vervolgens de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Het hier op die vraag te geven antwoord draagt een voorlopig karakter en is niet bindend voor de uitspraak in de hoofdzaak.

3.4. In geschil is of betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad gelden in tuchtrechtelijke zaken als deze niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn, maar is voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven wel noodzakelijk, dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat betrokkene zich aan de haar verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. De voorzieningenrechter is evenals de rechtbank van oordeel dat zulke gegevens in dit geval ontbreken. Daarbij is van belang dat, zoals ook door verzoeker in het bestreden besluit is erkend, niet kan worden vastgesteld dat de bewuste bekeuringen door betrokkene in [plaatsnaam] zijn ontvangen. Binnen het Bureau Centrale Afdeling Bekeuringen (BCAB) werd immers destijds niet geregistreerd welke bekeuringen aan wie werden toegewezen ter verwerking in het TOBIAS-systeem noch werd door de betrokken medewerker voor ontvangst getekend. Dat [H.], groepschef BCAB, de gevonden bekeuringen heeft herkend als zijnde afkomstig van hem en bestemd voor betrokkene zegt niets over een eventuele ontvangst van deze bekeuringen door betrokkene. De wijze waarop bekeuringen door [H.] aan betrokkene werden verzonden, namelijk via de interne post dan wel via (wisselende) medewerkers die toevallig naar het politiebureau in [plaatsnaam] moesten, sluit niet uit dat de betreffende bekeuringen betrokkene nimmer hebben bereikt. Voorts staat niet vast dat de bewuste vuilniszak is opgehaald in de wijk [naam wijk]. De verklaring van R. [V.], dat hij dat niet onwaarschijnlijk acht, is daarvoor onvoldoende.

3.5. De voorzieningenrechter acht verder van belang dat geen sprake is van enig nader bewijs zoals vingerafdrukken danwel andere gegevens waaruit onomstotelijk blijkt van betrokkenes betrokkenheid bij het weggooien van de bekeuringen. De door verzoeker als steunbewijs gehanteerde omstandigheid dat zij een motief had voor het wegmaken van de betrokken bekeuringen acht de voorzieningenrechter te speculatief. Betrokkene heeft er op gewezen dat juist de gevonden bekeuringen eenvoudig en snel verwerkt konden worden, zodat zoekmaken daarvan niet voor de hand liggend is. Dat één van de plekken waar te vroeg buitengezet huisvuil is meegenomen de plek betreft waar betrokkene haar huisvuil plaatste en er niemand anders van BCAB destijds in [naam wijk] woonde is onvoldoende om vast te stellen dat betrokkene, die het aan haar verweten plichtsverzuim stellig ontkent, plichtsverzuim heeft gepleegd. Betrokkene was in [plaatsnaam] niet als enige belast met het verwerken van bekeuringen in het TOBIAS-systeem en [H.] heeft verklaard dat het ook weleens voorkwam dat een dubbele hoeveelheid van 170 bekeuringen naar betrokkene werd toegestuurd.

3.6 Uit het verslag van het uitgevoerde onderzoek komt naar voren dat dit onderzoek, dat overigens is uitgevoerd door één persoon, van meet af aan gericht is geweest op betrokkene. Zo is er bijvoorbeeld van afgezien betrokkene’s partner te horen omtrent het buiten zetten van het huisvuil. Ook is geen nader onderzoek verricht naar mogelijke betrokkenheid van Beekmans, die heeft gesteld dat hij betrokkene bekeuringen heeft gebracht hetgeen door haar wordt ontkend. Verzoeker gaat ervan uit dat dit andere bekeuringen dan die welke gevonden zijn, maar enig bewijs daarvoor is er niet. De voorzieningenrechter acht dit een wezenlijk gebrek in het onderzoek nu niet uitgesloten is dat anderen dan betrokkene de bewuste bekeuringen in handen hebben gehad.

3.7. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het niet waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Gezien dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en gelet op de omstandigheid dat betrokkene groot belang heeft bij hervatting van haar dienstverband, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van belangen aanleiding de gevraagde voorziening af te wijzen.

4. Tot slot ziet de voorzieningenrechter aanleiding verzoeker met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene begroot op € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de politieregio Utrecht.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.M. Josten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2007.

(get.) K. Zeilemaker.

(get). I.M. Josten.