Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2007
Datum publicatie
06-03-2007
Zaaknummer
06-6941 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Spoedeisend belang? Schorsing van werking uitspraak rechtbank? Herstel dienstverband na strafontslag niet aanvaardbaar ivm geldende normen. Werknemer reeds andere baan.

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6941 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: verzoeker)

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 september 2006, 05/3967 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

verzoeker.

Datum uitspraak: 8 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Van de zijde van betrokkene is op dit verzoek gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is sedert 1 oktober 1996 werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland, laatstelijk als specialist bij het [naam Team] van het voormalige district 6 van het korps.

1.2. Bij besluit van 10 januari 2005 heeft verzoeker betrokkene wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Subsidiair is betrokkene eervol ontslagen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Het aan betrokkene verweten plichtsverzuim bestaat uit het zich meerdere keren ongepast en seksueel intimiderend gedragen tegenover jeugdige arrestanten. Bij het bestreden besluit van 1 juli 2005 is het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard en het besluit van

10 januari 2005 onder wijziging van de motivering gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verzoeker een nieuw besluit op bezwaar neemt. De rechtbank heeft daartoe – kort samengevat en voor zover hier van belang – overwogen dat betrokkene zich aan de hem verweten gedraging jegens [F. A.]. heeft schuldig gemaakt, maar dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de overige aan betrokkene ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden op de wijze als waarvan verzoeker bij het nemen van zijn besluit is uitgegaan.

De verweten gedraging jegens [F. A.]. achtte de rechtbank laakbaar en leverde plichtsverzuim op. Een onvoorwaardelijk strafontslag achtte de rechtbank echter onevenredig met die gedraging en voorts ook onvoldoende om tot ongeschiktheidsontslag over te gaan.

3. Verzoeker heeft hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen totdat uitspraak is gedaan in hoger beroep. Als spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening voert verzoeker aan dat hij als gevolg van de aangevallen uitspraak gehouden is het dienstverband met betrokkene te herstellen, hetgeen verzoeker onaanvaardbaar acht gezien de in het korps geldende norm terzake van bejegening van arrestanten. Daarbij heeft verzoeker voorts opgemerkt dat betrokkene reeds geruime tijd uit dienst is en een andere baan heeft.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.3. Nu de uitvoering van de aangevallen uitspraak impliceert dat het ontslag niet kan worden gehandhaafd, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen door verzoeker daarover is aangevoerd, een voldoende spoedeisend belang.

4.4. Of de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven, hangt primair af van het antwoord op de vraag of betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan zodanig ernstig plichtsverzuim dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan mocht worden verbonden.

4.5. Betrokkene heeft zich in ieder geval schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, bestaande uit het bij de geslachtsdelen pakken van [F. A.]. Wat ook zij van de setting waarin dit zou zijn gebeurd, de voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker daarin geen reden hoefde te zien dit gedrag minder onoirbaar te achten. Arrestanten hebben, zoals verzoeker terecht opmerkt, recht op een professionele behandeling en behoren gevrijwaard te zijn van dergelijke gedragingen.

4.6. De beantwoording van de vraag of de overige aan betrokkene verweten gedragingen genoegzaam zijn komen vast te staan vergt een afweging en een onderzoek die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. Het enkele feit dat betrokkene een andere, op zich niet onmogelijke, lezing heeft gegeven over hetgeen de betreffende arrestanten hebben verklaard, is niet op voorhand voldoende om aan de verklaringen van de betrokken arrestanten geen geloof te hechten.

4.7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient ernstig rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de Raad in de hoofdzaak tot de conclusie zal komen dat betrokkene meer plichtsverzuim kan worden verweten dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. Zeker in dat geval is niet onwaarschijnlijk dat de Raad de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig zal achten aan de aard en ernst van het plichtsverzuim, dan wel dat hij van oordeel is dat betrokkene blijk heeft gegeven niet te beschikken over de vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling, die voor het uitoefenen van zijn functie zijn vereist.

4.8. De voorzieningenrechter acht derhalve, bij afweging van de betrokken belangen

- waarbij de voorzieningenrechter mede in aanmerking neemt dat betrokkene inmiddels een baan elders heeft en dus over inkomsten beschikt - voldoende grond aanwezig om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

5. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb zie de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe;

Schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam;

Bepaalt dat de griffier het door verzoeker betaalde griffierecht van € 422,- terugbetaalt aan de politieregio Amsterdam-Amstelland.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W.M. van Schaik als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) J.W.M. van Schaik.