Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
01-03-2007
Zaaknummer
05-880 + 05-881 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting is gebaseerd op onvoldoende functies.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/880 en 05/881 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 januari 2005, 03/742 en 03/862 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Voorts heeft het Uwv een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee van 29 april 2005 doen toekomen.

Bij brief van 19 december 2006 heeft het Uwv enige nadere stukken ingediend, waaronder een aanpassing van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee van 15 december 2006.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreidere weergave van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Appellant was werkzaam als technisch tekenaar. Wegens pijnklachten van de rechterarm en -schouder bij computergebonden werk heeft hij deze werkzaamheden op 8 september 1999 gestaakt. Hij heeft bij zijn werkgever hervat in ander werk, maar is op 20 november 2000 opnieuw uitgevallen met dezelfde klachten.

Met ingang van 18 december 2000 is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een herbeoordeling is appellant op 10 oktober 2002 op het spreekuur van de verzekeringsarts R. Moed gezien. Deze heeft in zijn rapportages van 10 oktober en 5 november 2002 geconcludeerd dat appellant weer hele dagen kan werken en dat er geen aanleiding meer is voor een urenbeperking op medische gronden. Het ging volgens de verzekeringsarts bij appellant om pijn in vooral de rechterhand bij priegelwerk, zoals PC-werk. Er is een geleidelijke verbetering bereikt. Appellant is naar het oordeel van de verzekeringsarts aangewezen op werk zonder teveel PC-werk, maar wel in staat tot wat zwaarder werk met grotere spierbewegingen. Al te zwaar werk is echter ook weer niet op te dragen. Op basis van deze conclusie is een FML opgesteld. Deze bevatte onder meer beperkingen op de items Werken met toetsenbord en muis (zo nodig ongeveer 1 uur, verspreid over de dag) en Overige beperkingen van het dynamisch handelen (niet zeer fijn hoogfrequent repetitief werk met de handen zoals typen, schrijven. Of hooguit af en toe, maar zeker dan afgewisseld met grotere bewegingen).

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige G. Blumink in zijn rapport van 23 januari 2003 geconcludeerd dat appellant met inachtneming van deze beperkingen in staat is tot het verrichten van de functies van conciërge, huismeester, huisbewaarder (SBC 261010), productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC 111172), inpakker (handmatig) (SBC 111190) en productiemedewerker machinaal inpakken (SBC 111175). Het op basis hiervan berekende verlies aan verdiencapaciteit bedroeg minder dan 15%.

Bij besluit van 28 januari 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 maart 2003 ingetrokken, omdat zijn arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%.

Nadat appellant beroep had ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het hiertegen door hem ingediende bezwaarschrift, heeft het Uwv bij besluit van 21 augustus 2003 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen mede ten grondslag het rapport van 19 mei 2003 van de bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker, die zich kon verenigen met de door de primaire verzekeringsarts aangegeven beperkingen, en het rapport van 13 augustus 2003 van de bezwaararbeidsdeskundige K. Smit, die concludeerde dat alle aan appellant voorgehouden functies als passend kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank heeft de revalidatiearts P.C.Th. van Aanholt als deskundige ingeschakeld. In zijn rapport van 9 september 2004 heeft de deskundige geconcludeerd dat er bij appellant sprake is van een chronisch pijnsyndroom van de bovenste rechter extremiteit waarbij in oorsprong sprake is geweest van surmenage, waarbij de huidige therapie wel vermindering van de klachten geeft maar het terugkomen van de pijnklachten niet kan voorkomen. De deskundige achtte belangrijk dat appellant werkzaamheden verricht waarbij hij niet te veel repeterende bewegingen met de vingers en hand moet uitvoeren en dat hij regelmatig statische en dynamische handelingen afwisselt. De deskundige kon zich verenigen met de FML, waarbij hij opmerkte dat daarin goed rekening wordt gehouden met de beperkingen van de hand en duidelijk beschreven staat dat appellant niet langdurig achter elkaar moet schrijven en eveneens niet langdurig moet werken met een computermuis. Appellant was naar het oordeel van de deskundige per de datum in geding in staat om 8 uur per dag werkzaamheden te verrichten, echter de werkzaamheden dienen geen intensieve repeterende handelingen te bevatten. Appellant was in de ogen van de deskundige in staat tot het verrichten van de functie huismeester. Ten aanzien van de functies productiemedewerker pluimveeslachterij, inpakker en productiemedewerker machinaal inpakken heeft de deskundige opgemerkt dat daarin toch veelvuldige repeterende handelingen voorkomen waarbij de frequentie regelmatig hoog is. Wellicht is de belastbaarheid niet groot, maar gezien het feit dat deze in een dusdanig hoge frequentie telkens worden genoemd, lijken deze functies volgens de deskundige toch niet geschikt.

Op het rapport van de deskundige Van Aanholt is door het Uwv gereageerd middels een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Reker van 4 oktober 2004 en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee van 6 oktober 2004. Namens appellant is bij brief van 20 oktober 2004 een reactie gegeven. De deskundige heeft bij brief van 15 november 2004 op deze stukken gereageerd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift van appellant en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft ten aanzien van het rapport van de deskundige Van Aanholt overwogen dat nu deze bij appellant geen objectiveerbare afwijkingen heeft aangetroffen, dit rapport in het licht van de jurisprudentie van de Raad een ontoereikende basis vormt om aan te nemen dat appellant ten tijde van de datum in geding, gemeten naar de vereiste objectieve maatstaf, als gevolg van ziekte of gebreken meer beperkt was ten aanzien van het verrichten van de in aanmerking te nemen arbeid dan het Uwv in navolging van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft aangenomen. Evenmin bieden de beschikbare medische gegevens naar het oordeel van de rechtbank voldoende houvast voor de aanwezigheid van een zodanig ernstig pijnsyndroom dat appellant als gevolg van een ziekelijke toestand ongeschikt was tot het verrichten van de geduide functies.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is afgeweken van het oordeel van de deskundige Van Aanholt, nu zijn beperkingen in het rapport van de deskundige voldoende zijn geobjectiveerd en ook steun vinden in diverse rapportages van revalidatiecentrum Het Roessingh en het rapport van zijn medisch adviseur D.J. Schakel van 4 december 2003. Uit de aanvullende rapportage van de deskundige van 15 november 2004 blijkt voorts dat in de FML ten onrechte geen rekening is gehouden met beperkingen aan hand- en vingergebruik. De medische situatie ten tijde van de datum in geding is volgens appellant ongewijzigd ten opzichte van 18 december 2002, met ingang van welke datum hij als 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd beschouwd.

In eerdergenoemd rapport van 29 april 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee een nadere motivering van de geduide functies gegeven in het licht van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR 4716 e.v.). Bij brief van 19 december 2006 heeft het Uwv een door de bezwaarverzekeringsarts aangepaste FML van 11 december 2006 doen toekomen. De aanpassing betreft het item Hand- en vingergebruik, waarbij is aangegeven: beperkt, is niet of nauwelijks in staat tot fijn-motorische hand/vingerbewegingen, en als toelichting wordt verwezen naar het aspect Overige beperkingen van het dynamisch handelen.

In eerdergenoemd rapport van 15 december 2006 heeft de bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee een nadere motivering van de geduide functies gegeven in het licht van de uitspraken van de Raad van 6 oktober 2006 (LJN: AY 9971 e.v.).

De Raad overweegt als volgt.

Als uitgangspunt voor de beoordeling heeft te gelden de FML, zoals die door de verzekeringsarts Moed is opgesteld, in bezwaar door de bezwaarverzekeringsarts Reker is gehandhaafd en in hoger beroep door de bezwaarverzekeringsarts is aangepast. Met betrekking tot de in hoger beroep aangegeven beperking ten aanzien van het hand- en vingergebruik merkt de Raad op dat deze weliswaar aanvankelijk niet in de FML was opgenomen, maar aansluit bij de bevindingen van de primaire verzekeringsarts, nu deze vaststelde dat het gaat om pijn in vooral de rechterhand bij priegelwerk, zoals PC werk. Ook sluit deze aanpassing aan bij de eerder in de FML opgenomen beperking bij het item Overige beperkingen van het dynamisch handelen, waarbij is aangegeven: niet zeer fijn hoogfrequent repetitief werk, zoals typen, schrijven. Ten slotte ligt deze aanpassing in lijn met de bevindingen van de deskundige Van Aanholt, waar deze stelt dat appellant niet te veel repeterende werkzaamheden met de vingers en hand moet uitvoeren en niet langdurig achter elkaar moet schrijven of met de computermuis moet werken.

De Raad stelt vast dat de discussie die door partijen in de beroepsfase is gevoerd over de objectiveerbaarheid van de pijnklachten van appellant, waarbij de bezwaarverzekeringsarts het standpunt heeft ingenomen dat deze klachten niet zijn te objectiveren, niet tot gevolg heeft gehad dat het Uwv de FML niet heeft gehandhaafd. Uitsluitend is de hiervoor genoemde aanpassing op het item hand- en vingergebruik aangebracht.

De deskundige Van Aanholt heeft in zijn rapport de beperkingen, neergelegd in de FML, onderschreven.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen.

Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

De Raad is van oordeel dat het door de deskundige verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is. Voorts blijkt uit de reactie van de deskundige van 15 november 2004 op de reacties van de zijde van het Uwv en appellant niet dat hij zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. Appellant heeft bovendien in hoger beroep geen medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op zijn medische situatie.

Uitgaande derhalve van de juistheid van de in de FML, zoals aangepast in hoger beroep, neergelegde beperkingen, dient te worden beoordeeld of appellant daarmee ten tijde van de datum hier in geding – 29 maart 2003 – in staat was de geduide functies te verrichten.

Door appellant is niet gemotiveerd bestreden dat hij in staat moet worden geacht de als eerste geduide functie: conciërge, huismeester, huisbewaarder (SBC 261010) te verrichten. Ook de Raad ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen.

Blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige Van Rhee van 15 december 2006 is als tweede functie geselecteerd de functie inpakker (handmatig) (SBC 111190). Het betreft twee subfuncties van inpakker in een koek- en biscuitfabriek en twee subfuncties van inpakker in een suikerwerkfabriek.

Op het formulier Resultaat functiebeoordeling is bij eerstgenoemde twee subfuncties een M vermeld bij het aspect fijne motoriek, waarbij als bijzondere belasting is vermeld: snel en precies koekjes pakken, stapelen en in tray plaatsen met gedoseerde lichte kracht. Bij het aspect repetitieve handelingen is als bijzondere belasting vermeld: kortcyclisch in opgelegd tempo van de band met tegelijk kwalitatieve selectie. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in het rapport van 15 december 2006, onder verwijzing naar eerdergenoemd rapport van 6 oktober 2004, aangegeven dat het in deze subfuncties niet gaat om de in de FML bedoelde beperking voor zeer fijne hoogfrequente repetitieve werkzaamheden. Daarmee worden volgens hem namelijk de echt fijnmotorische werkzaamheden bedoeld die bijvoorbeeld gezien worden bij de functies printplatenmonteur.

Bij laatstgenoemde twee subfuncties is bij het aspect repetitieve handelingen als bijzondere belasting vermeld: inpakwerk heeft sterk repetitief karakter, tweehandig werk. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in het rapport van 15 december 2006, mede onder verwijzing naar eerdergenoemd rapport van 6 oktober 2004, aangegeven dat hier geen sprake is van zeer fijn motorische handelingen in samenhang met sterk repetitief werk. Een dergelijke combinatie is voor appellant niet geschikt, maar tot deze functies wordt hij daarentegen wel in staat geacht omdat van een fijn motorische belasting geen sprake is.

De Raad overweegt dat blijkens de functiebeschrijvingen in alle vier de subfuncties koekjes en snoepzakjes van een lopende band gepakt moeten worden, hetgeen door de bezwaararbeidsdeskundige terecht als hoogfrequent werk is aangemerkt. Voorts bestaat 90 tot 95% van de functies uit deze werkzaamheden, zodat sprake is van een vrijwel voortdurende belasting. De Raad begrijpt de FML, in het licht ook van hetgeen in de rapporten van de primaire verzekeringsarts en de deskundige Van Aanholt is overwogen, aldus dat juist de combinatie van langdurig, repetitief en fijn motorisch gebruik van de vingers bij appellant vermeden dient te worden. De verzekeringsarts heeft in dit verband aangegeven dat een afwisseling met grotere bewegingen noodzakelijk is. Gelet hierop acht de Raad de hiervoor weergegeven argumentatie van de bezwaararbeidsdeskundige een onvoldoende motivering waarom appellant de functies in deze functiecode zou kunnen verrichten. Deze argumentatie strekt ertoe dat, nu geen sprake zou zijn van ‘fijn’ dan wel ‘zeer fijn’ werk, de inpakwerkzaamheden ondanks de hoge frequentie en lange duur ervan binnen de belastbaarheid van appellant vallen. Hoewel de functiebeschrijvingen, onderling vergeleken en in vergelijking met andere functies, op zichzelf wel aanleiding kunnen geven voor het maken van dergelijke gradaties, acht de Raad dat in dit geval te zeer afbreuk doen aan de medische beperkingen van appellant.

Als derde functie is geselecteerd de functie productiemedewerker machinaal inpakken (SBC 111175). Het betreft twee subfuncties van inpakmedewerker in een beschuit- en koekfabriek. Op het formulier Resultaat functiebeoordeling is bij deze functies bij het aspect pincetgreep als bijzondere belasting vermeld: hoog frequent pakken van koekjes en/of lege trays hanteren. Bij het aspect repetitieve handelingen is als bijzondere belasting vermeld: hoog frequent pakken van trays 3 à 5 tegelijk. De bezwaararbeidsdeskundige heeft hierover in zijn rapport van 6 oktober 2004 gesteld dat de frequente en repetitieve handeling hier bestaat uit een grof motorische handeling welke op basis van de FML passend is.

De Raad acht dit op grond van vergelijkbare overwegingen als hiervoor gegeven een ontoereikende motivering waarom deze inpakwerkzaamheden ondanks de hoge frequentie en lange duur ervan binnen de belastbaarheid van appellant vallen. Hierbij kan worden opgemerkt dat blijkens de functiebeschrijving, die mede omvat het hoog frequent pakken van koekjes en deze in een tray leggen, de werkzaamheden zeker niet uitsluitend als grof motorisch kunnen worden aangemerkt.

Als vierde functie is geselecteerd de functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC 111172). Dit betreft de functie van productiemedewerker filetafdeling in een pluimveeslachterij. Op het formulier Resultaat functiebeoordeling zijn bij deze functie geen bijzondere belastingen aangegeven bij de aspecten fijne motoriek en repetitieve handelingen. Blijkens de functiebeschrijving gaat het om het bewerken en inpakken van filets. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 6 oktober 2004 aangegeven dat de werkzaamheden in deze functie geen zeer frequente fijn motorische belasting opleveren, zodat deze functie als passend is te beschouwen. De Raad ziet geen aanleiding aan deze conclusie te twijfelen. In dit opzicht volgt de Raad de conclusie van de deskundige Van Aanholt niet, nu deze niet heeft onderkend dat deze functie geen bijzondere belasting kent ten aanzien van de fijne motoriek.

Gelet op het vorenstaande resteren slechts functies uit twee functiecodes om de schatting op te baseren, hetgeen gelet op artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, onvoldoende is.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit niet voldoet aan de vereisten, neergelegd in de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

Met betrekking tot het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente overweegt de Raad dat dit verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de Raad, gezien het vorenstaande, onvoldoende inzicht heeft in de vraag of er schade wordt geleden en zo ja, welke omvang deze schade heeft. Wel zal het Uwv bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- in beroep en € 644,- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1127,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2007.

(get.) K.J.S.Spaas.

(get.) M. Gunter.