Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
05-704 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/704 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 januari 2005, 04/443 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M. van Kerkvoorden, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij schrijven van 9 mei 2005 gereageerd op een vraag van de Raad. Bij schrijven van 30 oktober 2006 heeft het Uwv de Raad nog een gedingstuk doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2006, waar appellant en zijn gemachtigde, met kennisgeving, niet zijn verschenen, en waar het Uwv zich heeft doen vertegenwoordigen door A.P. London.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die voorheen werkzaam was als orderverwerker, is in verband met spanningsklachten, schouder(RSI)- en whiplashklachten met ingang van 27 februari 2000 (na een beroepsprocedure op arbeidskundige gronden) een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de klasse 80-100%. Appellant is met ingang van 3 april 2000 gaan werken als onderwijsassistent natuur- en scheikunde, waarbij de urenomvang van de werkzaamheden op zijn verzoek met ingang van 11 juli 2000 beperkt is tot 28 uur per week. De uitkering van appellant is onder toepassing van artikel 44 van de WAO uitbetaald.

Op 26 augustus 2002 heeft appellant zich in verband met rugklachten (een discopathie L5-S1 met prolaps) ook ziek gemeld voor zijn werkzaamheden als onderwijsassistent. Appellant is op 3 oktober 2002 door orthopaedisch chirurg F.B. Langius aan de rug geopereerd. Deze operatie heeft appellant, ondanks een goed operatieresultaat, niet gebaat. Appellant bleef last houden van een pijnlijke rug en was voorts bekend met aanhoudende schouder- en concentratieklachten.

Appellant is na afloop van de wettelijke wachttijd, op 9 mei en 6 juni 2003 door verzekeringsarts K.G.M. van den Brand onderzocht. Van den Brand heeft op basis van eigen onderzoek en na raadpleging van de behandelend orthopeadisch chirurg Langius aanleiding gezien beperkingen te formuleren ten aanzien van de statische en dynamische rugbelasting en ten aanzien van de armbelasting. Deze beperkingen heeft hij neergelegd in de (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst ((K)FML) van eveneens 6 juni 2003. Van den Brand heeft geen aanleiding gezien om beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen en ook geen medische redenen aanwezig geacht voor een duurbeperking.

De arbeidsdeskundige J.A.F.M. Peijs heeft op basis van de (K)FML en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 5 augustus 2003 vastgesteld dat appellant ongeschikt te achten is voor zijn eigen werk als orderverwerker, maar wel geschikt te achten is voor passende arbeid. Peijs concludeerde na functieduiding dat er geen relevant verlies aan verdiencapaciteit resteerde. Het Uwv heeft hierop bij besluit van 15 augustus 2003 de aan appellant toekende WAO-uitkering per 13 oktober 2003 ingetrokken.

In de bezwaarprocedure heeft appellant doen aanvoeren dat er onvoldoende rekening is gehouden met de bij hem bestaande beperkingen en dat er door de verzekeringsarts ten onrechte geen duurbeperking in aanmerking is genomen. Appellant acht zich slechts in staat maximaal 30 uur per week arbeid te verrichten omdat hij in verband met pijnklachten en daarmee samenhangende slaapproblemen snel vermoeid is. Appellant zou voorts in verband met concentratieproblemen beperkt zijn ten aanzien van werken onder tijdsdruk. Namens appellant is tot slot uiteengezet om welke redenen appellant de voorgehouden functies, die zittend van aard zijn en waarin vertreding niet mogelijk zou zijn, niet zou kunnen verrichten.

De bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink kwam na dossieronderzoek in zijn rapportage van 6 januari 2004 tot de conclusie dat hij geen aanleiding ziet om de eerder bij de (K)FML vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden. De informatie van Langius van

19 mei 2003 laat behoudens wat hoofdpijnklachten, geen recidief prolaps zien. Voorts zijn er geen aanwijzingen voor een evidente concentratiestoornis en is er geen indicatie voor een medische urenbeperking. Ook de verkregen informatie van appellants huisarts

J.J. Keulemans van 18 december 2003 heeft Ubbink geen aanleiding gegeven zijn standpunt te herzien. De bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof is daarop in zijn rapportage van 20 januari 2004 de geschiktheid van de voorgehouden functies nog eens nagelopen en concludeerde dat de functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant.

Appellant heeft in beroep zijn in bezwaar aangevoerde grieven in essentie herhaald. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij op advies van de bedrijfsarts nog steeds niet meer dan vier uur per dag op arbeidstherapeutische basis werkt.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat op grond van de stukken moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen niet te geringe beperkingen hebben vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten en appellant geen informatie overgelegd heeft die aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De rechtbank merkt in dit verband op dat niet gebleken is dat bij het door appellant aangegeven advies van de bedrijfsarts om niet meer dan 4 uur per dag te werken, de Standaard Verminderde arbeidsduur is gehanteerd, zodat er, in samenhang met de overige medische informatie, geen reden is om een duurbeperking aan te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet gebleken van beperkingen ten aanzien van concentratie of van zwaardere beperkingen ten aanzien van zitten. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat de voorgehouden functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant en het bestreden besluit derhalve stand kan houden.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met zijn forse rugklachten en appellant zich in verband hiermee niet in staat acht 40 uur per week te werken.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is met de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust.

De Raad merkt daarbij op dat appellant zijn grief dat hij ten gevolge van rugklachten meer beperkt is dan in de (K)FML is vastgesteld, niet heeft onderbouwd met (nadere) medische stukken. De Raad ziet geen aanleiding voor de conclusie dat de verzekeringsarts niet de juiste beperkingen heeft afgeleid uit de op 19 mei 2003 gedateerde brief van orthopaedisch chirurg Langius. De Raad is voorts niet gebleken dat de in de (K)FML vastgestelde beperkingen anderszins onjuist zouden zijn. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad evenmin genoegzaam aangetoond dat er een medische noodzaak is om een duurbeperking in acht te nemen. De Raad overweegt hiertoe dat de vermoeidheidsklachten van appellant (en de hiermee samenhangende concentratieklachten) niet objectiveerbaar zijn gebleken en dat niet gebleken is dat appellant in verband met een behandeling of een medische voorgeschreven recuperatieperiode niet volledig beschikbaar voor arbeid zou zijn.

Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft overweegt de Raad, mede in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de voorgehouden functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door en C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffer, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2007

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) C.D.A. Bos.