Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
05-1839 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1839 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 februari 2005, 04/331 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Cornelis, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 31 augustus 2005 heeft mr. Cornelis een rapport van 24 augustus 2005 van de orthopedisch chirurg J.H. Postma ingezonden.

Bij brief van 23 september 2005 heeft het Uwv een rapport van 19 september 2005 van de bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons ingezonden.

Hierop heeft de orthopedisch chirurg Postma gereageerd met een rapport van

21 december 2005, hetgeen is overgelegd.

Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts Moons daarop gereageerd met een rapport van 6 februari 2006, hetgeen is overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Cornelis en het Uwv is verschenen bij gemachtigde

mr. C. Vork-Ebing.

II. OVERWEGINGEN

Ten tijde als hier van belang ontving appellant, geboren op 4 november 1940, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij besluit van 17 maart 2003 heeft het Uwv besloten die uitkering ongewijzigd voort te zetten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij besluit van 29 december 2003: verder het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en besloten de uitkering ingevolge de WAO met ingang van 20 april 2003 voort te zetten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit niet op een onzorgvuldige dan wel onjuiste medische grondslag berust. In de aangevallen uitspraak is uitvoerig gemotiveerd waarom de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de motivering waarom appellante geschikt wordt geacht voor de met behulp van het zogenaamde claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS) geselecteerde functies, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeerde.

Nu in beroep bij de rechtbank alsnog de gewenst geachte onderbouwing is gegeven, heeft de rechtbank in het voetspoor van 's Raads uitspraken van 9 november 2004, LJNummers AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722, met betrekking tot het CBBS het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor wat betreft de indeling van appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand blijven.

Appellant bestrijdt in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat het bestreden besluit niet op een onjuiste medische grondslag berust. Daartoe is in hoger beroep een rapport van de orthopedisch chirurg Postma in geding gebracht.

Het Uwv heeft bij monde van de bezwaarverzekeringsarts Moons in hoger beroep de juistheid van het medisch oordeel van de orthopedisch chirurg Postma bestreden.

De Raad oordeelt als volgt.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag een kort voor de datum in geding,

20 april 2003, op 7 februari 2003 gedaan medisch onderzoek door de verzekeringsarts

H. Konieczek, waaraan de Raad ontleent:

"Lichamelijk onderzoek:

Lengte is 1.70 meter; gewicht is 97 kilogram. RR is 210 over 100 bij zich druk makende en wat gespannen man.

Belanghebbende is van postuur een (te) zware athletisch gebouwde,van afkomst Surinaamse man. In stand varusstand knie rechts. Hakken en tenenstand lukken en hurkzit lukt hem over links met één been evenals het opkomen daaruit. Steekt het rechterbeen gestrekt naar voren.

Rug: AF 100° en vrij soepel.

In rugligging: heupen links en rechts nog acceptabele flexie mogelijkheid met circa 150°. Exo-endotraject is beiderzijds gelijk en nog ruim met circa 65°.

Knieën: in rugligging strekt belanghebbende de rechterknie niet volledig. Er is een wat verbrede knie rechts. Flexie lukt onder crepiteren tot 100° waarna belanghebbende verzet geeft wegens pijn. Schuiflade is niet evident aanwezig. Beide knieën zijn rustig; geen -itistekenen.

Links flexie tot 160° geen probleem. Intacte banden."

Op dat tijdstip was appellant niet onder behandeling van een specialist. Konieczek stelde vast dat er bij appellant sprake was van gonartrosis rechts en een beginnende coxartrosis links.

Op aandringen van appellant heeft Konieczek informatie opgevraagd bij de orthopedisch chirurg L.N. Marting die appellant in juli 2002 had geconsulteerd.

Uit de brief van de orthopedisch chirurg Marting van 26 juli 2002 aan de huisarts blijkt dat hij een normale heupfunctie bij appellant had geconstateerd. Aan de hand van röntgenonderzoek concludeerde hij tot matige artrose van de linker heup en gonartrose van de rechter knie. Hij schreef appellant een pijnstiller voor en maakte geen vaste controle afspraak.

Op basis van deze gegevens heeft Konieczek de belastbaarheid van appellant vastgesteld die ten grondslag ligt aan het besluit van 17 maart 2003.

In bezwaar is het journaal van de huisarts overgelegd waaruit met betrekking tot de datum in geding niet meer blijkt dan dat appellant begin april 2003 "een beetje door de rechter enkel is gegaan".

De bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink heeft hierin geen aanleiding gevonden om de belastbaarheid van appellant bij te stellen, hetgeen heeft geleid tot het bestreden besluit.

De orthopedisch chirurg Postma heeft appellant op 29 juli 2005 onderzocht. In zijn beantwoording van de hem gestelde vragen, waarbij hij op de datum in geding is gewezen, heeft hij aangegeven dat er op die datum zonder meer sprake is van in feite dezelfde bevindingen als weergegeven bij de situatie ten tijde van zijn onderzoek.

Postma acht appellant ook op de datum in geding ernstiger beperkt dan het Uwv heeft aangenomen.

Zo neemt hij ernstiger beperkingen aan wat betreft de heupen en schouderbelastende activiteiten.

De bezwaarverzekeringsarts Moons wijst erop dat de orthopedisch chirurg Postma niet toelicht waarom hij appellant ook op de datum in geding meer beperkt acht dan het Uwv.

In tweede termijn is Postma bij zijn standpunt gebleven waarbij hij erop wijst dat er zijns inziens sprake is van een vertebromyogeen pijnsyndroom en dat de grootste beperkingen niet zozeer in de heupen als in de rug zitten.

Moons wijst er in tweede termijn op dat er wat betreft de rug röntgenologisch niets is geobjectiveerd en dat enkel afgaan op de klachtenbeleving door appellant niet de ernstige beperkingen rechtvaardigen die Postma stelt. Moons wijst er nog op dat de schouderklachten, waarvoor Postma ook beperkingen aanneemt, na de datum in geding zijn ontstaan.

Het geheel overziende meent de Raad doorslaggevende betekenis te moeten toekennen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv.

Daarbij heeft de Raad doen wegen dat Postma, hoewel daarop gewezen, ook in tweede termijn onvoldoende heeft kunnen onderbouwen waarom hij, in weerwil van de ook hem bekende onderzoeksbevindingen wat betreft de heupen en de rechter knie uit 2003, ernstiger beperkingen heeft aangenomen dan het Uwv. Voorts heeft de Raad van belang geacht dat Postma op de datum in geding beperkingen heeft aangenomen wat betreft schouderklachten en rugklachten, welke laatsten zouden berusten op een vertebromyogeen pijnsyndroom, waarvan uit de beschikbare medische gegevens uit 2003 in het geheel niet blijkt dat die klachten toen al bestonden.

De Raad komt tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid, uitgaande van de datum 20 april 2003, op een juiste medische grondslag berust.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Awb geen aanleiding bestaat om het oordeel van de rechtbank wat betreft de overige aspecten van het bestreden besluit voor onjuist te houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) C.D.A. Bos.