Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9555

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
05-1140 WAO+05-1142 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO en WAZ-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1140 WAO en 05/1142 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van rechtbank Zutphen van 14 januari 2005, 02/1838 WAZ en

02/1544 WAZ (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen te Zwolle hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007. Namens appellante is R.T. van Baarlen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.C.M. van de Pol, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1945, is in november 1992 met hartklachten uitgevallen voor haar werk als taxichauffeur en centralist in het bedrijf van haar echtgenoot en haar zwager. Een aan haar met ingang van 15 november 1993 toegekende uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is met ingang van 17 mei 1994 ingetrokken aangezien zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante is in aangepast werk werkzaam gebleven in het bedrijf van haar echtgenoot. Appellante is op 25 mei 2000 opnieuw uitgevallen voor haar werkzaamheden, ditmaal in verband met knieklachten. Bij besluit van 2 augustus 2001 is aan haar per 24 mei 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Nadat appellante een daartoe strekkende aanvraag had gedaan, heeft het Uwv bij besluit van 17 januari 2002 aan appellante per 24 mei 2001 een uitkering in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 18 januari 2002 heeft het Uwv voorts de aan appellante toegekende WAO-uitkering herzien en de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 maart 2002 bepaald op 25 tot 35%. De tegen de besluiten van 17 en 18 januari 2002 gerichte bezwaren heeft het Uwv bij het thans bestreden besluit van 30 september 2002 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dat beroep ongegrond verklaard. Kort gezegd heeft de rechtbank daartoe overwogen dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen niet onjuist heeft ingeschat en dat appellant op de data in geding in staat kon worden geacht om de aan de schattingen ten grondslag gelegde functies te verrichten.

De stellingen van appellante in hoger beroep komen er op neer dat zij meer beperkingen ondervindt dan door het Uwv wordt aangenomen, met name ten aanzien van hurken en tillen. In verband daarmee is namens appellante tevens gesteld dat de geduide functies niet verricht kunnen worden en dat er onvoldoende functies zijn om de schatting op te baseren. Tenslotte is gesteld dat het met terugwerkende kracht toekennen van de WAZ-uitkering per 24 mei 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% in strijd is met de rechtszekerheid nu het Uwv appellante per die datum in het kader van de WAO had ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.

De Raad overweegt als volgt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank naast het thans bestreden besluit tevens een oordeel gegeven over een bestreden besluit van 13 december 2002, welk besluit betrekking had op een ongewijzigde voortzetting van de beide arbeidsongeschiktheids-uitkeringen. Mede naar aanleiding van hetgeen ter zitting door de gemachtigde van appellante is gesteld, stelt de Raad vast dat het hoger beroep geen betrekking heeft op dat onderdeel van de uitspraak.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellante niet onjuist heeft ingeschat. Het Uwv heeft zich daarbij gebaseerd op een op het verzoek van het Uwv uitgebrachte rapportage van orthopedisch chirurg Van Loon van 17 juli 2001 en op eigen onderzoeksbevindingen. Tevens werd informatie van de huisarts van appellante verkregen. Die bevindingen en de daarop gebaseerde belastbaarheid zijn bevestigd in de rapportage die op verzoek van de rechtbank is uitgebracht door orthopedisch chirurg J.H. Postma. Deze laatste deskundige heeft informatie van de behandelende artsen van appellante geraadpleegd en heeft een eigen onderzoek verricht. Naar aanleiding daarvan concludeerde deze deskundige dat hij zich kon verenigen met de ten aanzien van appellante vastgestelde belastbaarheid, zij het dat hij appellante wat sterker beperkt achtte ten aanzien van het hurken en knielen. De Raad volgt hier appellante evenwel niet in haar stelling dat hurken voor haar onmogelijk is. Zoals ook uit de rapportage van Postma blijkt, is appellante op dit punt fors beperkt, maar is het haar niettemin niet geheel onmogelijk om te hurken, zodat het Uwv op dit punt op goede gronden uit kon gaan van de lichtst mogelijke belastbaarheid uit het belastbaarheidpatroon. Daarbij merkt de Raad nog op dat uit de aantekeningen op dat belastbaarheidpatroon blijkt dat ook ten aanzien van die lichtste belastbaarheid nog een nuancering gemaakt dient te worden. Wat betreft de belastbaarheid is de Raad ten slotte niet gebleken dat er aanleiding is om voor appellante een beperking aan te nemen ten aanzien van het aantal uren dat appellante zou kunnen werken.

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat appellante de geduide functies kan vervullen. Uit de door het Uwv verstrekte toelichtingen blijkt dat het in die functies genoemde hurken slechts incidenteel dient te geschieden als er iets op de grond is gevallen. Zoals hiervoor werd vastgesteld, is het appellante niet geheel onmogelijk om te hurken. Uit de aantekeningen bij die functies blijkt voorts dat door het Uwv is bezien in hoeverre de uiterst geringe belastbaarheid van appellante op dit onderdeel niet werd overschreden.

Ook ten aanzien van het tillen en dragen is naar het oordeel van de Raad afdoende toegelicht waarom appellante in staat moet worden geacht dat in de betreffende functies te kunnen doen, waarbij de Raad er, in navolging van de door de rechtbank benaderde deskundige, nog op wijst dat appellante ten aanzien van haar rug slechts zeer licht beperkt is. De Raad volgt de gemachtigde van appellante dan ook niet waar deze stelt dat ten aanzien van appellante onvoldoende functies geduid kunnen worden. Daarbij wijst de Raad nog op de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige, waar deze stelt dat hij zich ‘vrijwel met alle geduide functies en verwoordingen functiebelasting kan verenigen’.

De Raad acht het niet in strijd met de rechtszekerheid dat appellante per 24 mei 2001 een WAO-uitkering naar een mate van 80 tot 100% is verstrekt terwijl nadien per dezelfde datum een WAZ-uitkering naar een mate van 25 tot 35% werd toegekend. Zoals ook door het Uwv is toegelicht, vindt dit verschil in arbeidsongeschiktheidspercentage zijn oorzaak in het moment van de aanvraag. De aanvraag om de WAO-uitkering is gedaan op

7 mei 2001, op welk moment er nog onzekerheid bestond ten aanzien van de belastbaarheid van de knie van appellante, zodat uit zorgvuldigheidsoverwegingen aan appellante per einde van de wachttijd een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend. De aanvraag om de WAZ-uitkering werd gedaan op 8 augustus 2001, op welk moment de door het Uwv ingeschakelde deskundige had gerapporteerd en het Uwv over de gegevens beschikte die noodzakelijk waren voor een definitief standpunt. De WAZ-uitkering die vervolgens bij besluit van 17 januari 2002 is toegekend, was derhalve een eerste toekenning, zodat voor het Uwv geen gehoudenheid bestond om een andere uitkering toe te kennen dan uit de theoretische schatting was gebleken. Daarbij wijst de Raad er nog op dat het Uwv met het oog op de rechtszekerheid ook een juiste termijn voor de ingangsdatum van het gewijzigde percentage voor de WAO heeft gehanteerd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling van het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) S. Sweep