Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
04-4001 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/ 4001 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 juni 2004, 03/1524 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 december 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. de Maar.

II. OVERWEGINGEN

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden vermeld in de aangevallen uitspraak.

In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de door appellante aangevoerde gronden niet kunnen leiden tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 18 februari 2002 niet terecht heeft vastgesteld op 35 tot 45%.

In hoger beroep heeft appellante verwezen naar de gedingstukken die in eerste aanleg zijn overgelegd. Appellante meent dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Ter staving van haar standpunt heeft zij een rapportage van drs. V.J. Janssen, psycholoog en drs. G.D. van Aalst, psychiater - verbonden aan de HSK-groep - van 15 juli 2004 overlegd. Tevens is appellante van mening dat er onvoldoende waarde is gehecht aan het oordeel van de ARBO-bezwaarcommissie UMCU van 2 oktober 2003. Voorts heeft appellante nog gewezen op een drietal uitspraken van de Raad, gekenmerkt LJN: AE8618, AA7325 en AB1847.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen grond voor twijfel is aan de door het Uwv in acht genomen medische beperkingen van appellante en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank ter zake.

Het door appellante in hoger beroep ingebrachte rapport van de HSK-groep van 15 juli 2004 geeft de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit reeds omdat dit rapport niet op de in geding zijnde datum ziet. Overigens is de Raad niet gebleken van meer of andere beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De uitspraak van de ARBO-bezwaarcommissie UMCU van 2 oktober 2003 werpt evenmin een nieuw licht op de beperkingen van appellante. Het rapport rust niet op het beoordelingskader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Evenmin blijkt uit dit rapport dat het Uwv een onvolledig of onjuist beeld had van de medische situatie van appellante.

Het beroep op de aangehaalde jurisprudentie slaagt niet. In dit geval is er geen sprake van dat zich een situatie voordoet als waarop die uitspraken zien.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante geschikt is de voor haar geselecteerde functies te verrichten.

Gezien het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2007.

(get.) J. Brand.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.