Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9387

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
06-760 WWB + 06-759 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering i.v.m. gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/760 WWB

06/759 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

C[appellante] (hierna: appellante) en [appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te Oosterhout,

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 19 januari 2006, 05/2845 en 05/2414 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2007, waar appellanten zijn verschenen en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door C.J. Alvers, werkzaam bij de gemeente Oosterhout.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 16 mei 1989 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Volgens haar opgave woonde zij sedert medio 1991, met haar minderjarige zoon, in de [adres 1] te [plaatsnaam]. Nadat appellante aan de sociale dienst had meegedeeld dat haar zoon per 1 februari 2000 was verhuisd naar de [adres 2] te [plaatsnaam], het woonadres van appellant, heeft zij met ingang van 1 februari 2000 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van ontstane twijfels omtrent de woon- en leefsituatie van appellante is door de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft op 11 januari 2005 een huisbezoek plaatsgevonden op het adres [adres 1], zijn appellanten beiden gehoord, zijn getuigen gehoord, zijn er inlichtingen ingewonnen omtrent het water- en energieverbruik in de woning aan de [adres 1] en hebben enkele observaties plaatsgevonden.

Naar aanleiding van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 24 januari 2005, heeft het College bij besluit van 31 maart 2005 de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken op de grond dat appellante vanaf die datum een gezamenlijke huishouding met appellant heeft gevoerd. Voorts heeft het College in dit besluit de over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 96.300,-- van appellante teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 31 maart 2005 heeft het College de over de periode van

1 januari 1999 tot 1 januari 2005 ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 76.705,71.

Bij besluiten van 21 juni 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 31 maart 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 21 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

De Raad stelt eerst vast dat de aan appellante verleende bijstand bij het primaire besluit van 31 maart 2005 met ingang van 1 juli 1997 is ingetrokken en dat het College deze intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Bij zijn besluit van 21 juni 2005 heeft het College deze intrekking per 1 juli 1997 onverkort gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, ingezet met de uitspraak van 4 november 2003 ( LJN AO1106), bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat in het geval van appellante beoordeeld dient te worden de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 maart 2005.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en - met ingang van 1 januari 2004 - ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Appellanten hielden ten tijde als hier van belang afzonderlijke woonadressen aan. Die omstandigheid hoeft niet aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

De Raad is, met de rechtbank en het College, van oordeel dat het rapport van de sociale recherche en de overige gedingstukken voldoende feitelijke grondslag bieden voor de vaststelling dat appellanten, met de zoon van appellante, gedurende de gehele periode van 1 juli 1997 tot en met 31 maart 2005 hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellant aan de [adres 2]. Hierbij acht de Raad met name van belang dat appellant ten overstaan van de sociale recherche heeft verklaard dat appellante ongeveer vanaf 1991 dag en nacht bij hem verbleef en dat appellante feitelijk nooit in de [adres 1] heeft gewoond. Ook appellante heeft verklaard dat zij feitelijk al jaren woonachtig was op het adres van appellant. Voorts wijst het water- en energieverbruik in de woning [adres 1] er op dat die woning niet daadwerkelijk werd bewoond. Uit de beschikbare gegevens blijkt ook dat buurtbewoners hierover meerdere malen hebben geklaagd, waarna medewerkers van de betreffende woningbouwstichting poolshoogte zijn gaan nemen en bij inspectie van de woning vervolgens hebben geconstateerd dat de woning een onbewoonde indruk maakte. In dit verband komt mede betekenis toe aan de bevindingen tijdens het op 11 januari 2005 door medewerkers van de sociale recherche afgelegde huisbezoek op het adres [adres 1] te [plaatsnaam]. Overigens is niet in geschil dat appellante vanaf 1 januari 2005 bij appellant woont.

Uit de onderzoeksbevindingen blijkt voorts genoegzaam dat in de hier aan de orde zijnde periode sprake is geweest van wederzijdse zorg tussen appellanten. Appellante heeft de vrije beschikking over de gehele woning van appellant en zij verricht daarin allerlei huishoudelijke taken, zoals schoonmaken, koken, wassen en strijken. Voorts doet zij de boodschappen. De boodschappen betalen appellanten samen. Er is sprake van een financiële verstrengeling, in die zin dat appellant zijn pinpas aan appellante ter beschikking stelt. Samen hebben zij een auto gekocht. Appellant heeft voor de financiering hiervan een lening afgesloten. De verzekering van de auto is op naam gesteld van appellante, die ook de verzekeringspremie betaalt. Appellant betaalt de wegenbelasting. Ten slotte is gebleken dat appellante de financiële zaken van appellant regelt.

De Raad is niet gebleken dat appellante haar verklaring ten overstaan van de sociale recherche niet in vrijheid heeft kunnen afleggen. Appellante heeft na voorlezing van die verklaring door een sociaal rechercheur te kennen gegeven dat zij daarmee akkoord ging en zij heeft die verklaring vervolgens mede ondertekend. Niet gesteld noch gebleken is dat zij daarna nog contact heeft opgenomen met de sociale recherche om op de gestelde onjuistheid van die verklaring te wijzen en hierin eventuele veranderingen te doen aanbrengen. Appellante dient dan ook aan haar verklaring gehouden te worden. Overigens vindt de verklaring van appellante voldoende steun in de overige gegevens van het onderzoek, zoals uit het vorenoverwogene blijkt.

Het vorenstaande betekent dat appellanten in de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 maart 2005 een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 van de Abw, respectievelijk artikel 3 van de WWB hebben gevoerd. Appellante kan over deze periode dan ook niet als een zelfstandig subject van bijstand worden beschouwd, zodat zij over die periode geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, respectievelijk naar de norm voor een alleenstaande. Appellante heeft in strijd met de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw, respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting aan het College geen melding van de gezamenlijke huishouding met appellant gemaakt.

Het vorenstaande betekent dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 juli 1997 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College na afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

De terugvordering en de mede-terugvordering

Met het voorgaande is tevens gegeven dat het College bevoegd is met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2005 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

In het voorgaande ligt verder besloten dat ten aanzien van appellant met betrekking tot de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2005 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, zodat het College bevoegd is de over die periode ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.

Het College volgt de vaste gedragslijn dat altijd tot mede terugvordering wordt overgegaan tenzij er sprake is van dringende redenen in de zin van het destijds geldende artikel 78, derde lid, van de Abw. Op basis van vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 78, derde lid, van de Abw wordt bij dringende redenen gedacht aan onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden heeft plaatsgehad. De Raad is van oordeel dat deze gedragslijn niet onredelijk is voor zover deze ziet op situaties - zoals in het geval van appellante - waarin sprake is van schending van de inlichtingenverplichting (vergelijk ook de uitspraak van de Raad van 8 november 2005, LJN AU5973). In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen in vorenbedoelde zin op grond waarvan van terugvordering kan worden afgezien. De Raad stelt vervolgens vast dat de besluiten van 21 juni 2005 in overeenstemming zijn met de vaste gedragslijn van het College. In hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking daarvan geheel of gedeeltelijk van (mede) terugvordering had moeten afzien. Met betrekking tot de gestelde aflossingsproblemen overweegt de Raad dat de zogeheten beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als regel voldoende bescherming biedt om in het levensonderhoud te kunnen blijven voorzien.

Appellant heeft zich, evenals in beroep, beroepen op de brief van het College van 6 april 2005 - met als onderwerp: bevordering - welke brief appellant heeft ontvangen uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij de gemeente Oosterhout. De inhoud van deze brief brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Kortheidshalve verwijst de Raad naar hetgeen daarover in de aangevallen uitspraak en in het verweerschrift van het College in hoger beroep is overwogen, waarmee de Raad zich kan verenigen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.