Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
05-4981 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzegging dienstlokalen en dienstgebouwen i.v.m. gepleegd plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4981 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 juni 2005, 04-1697, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 15 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2007. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J. Vos, werkzaam bij het ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als senior bewaker complexbeveiliging bij de Penitentiaire Inrichtingen [penitentiaire inrichting]. Naar aanleiding van ontvangen klachten wegens niet-integer gedrag, zoals gemeld door een collega van appellant, heeft de minister een onderzoek ingesteld naar vermoedelijk door appellant gepleegd plichtsverzuim. In verband met dit onderzoek heeft de minister bij besluit van 23 juni 2004, met gebruikmaking van het bepaalde in artikel 77 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, appellant met onmiddellijke ingang de toegang tot alle dienstlokalen en dienstgebouwen in de Penitentiaire Inrichtingen Amsterdam ontzegd. Bij het bestreden besluit van 8 september 2004 heeft de minister het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld CRvB 26 mei 2004, LJN AP1422 en TAR 2004, 130) vindt een bestuursorgaan in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim van een ambtenaar waardoor aan diens integriteit moet worden getwijfeld en waardoor het noodzakelijk in de ambtenaar te stellen vertrouwen dermate is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten, in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel.

3.2. De Raad stelt op basis van de gedingstukken vast dat er voorafgaand aan het primaire besluit een conflict tussen appellant en een collega was ontstaan dat spanningen en onrust op de werkvloer heeft voortgebracht. Uit de hieromtrent afgelegde verklaringen - onder anderen door appellant zelf - was af te leiden dat appellant tegenover die collega uitlatingen heeft gedaan en hem SMS-berichten heeft gestuurd die een ernstig beledigend en/of racistisch karakter hadden. Naar het oordeel van de Raad rechtvaardigden deze gegevens, toen ze de minister bekend werden, de concrete verdenking van door appellant gepleegd plichtsverzuim als onder 3.1. bedoeld. Onder deze omstandigheden heeft de minister voldoende grond kunnen vinden om, in verband met het op te starten disciplinaire onderzoek naar het vermoedelijke plichtsverzuim van appellant, de in geding zijnde ordemaatregel te treffen.

3.3. De grieven van appellant in hoger beroep die er in de kern op neerkomen dat het besluit tot ontzegging van alle dienstlokalen en -gebouwen in de Penitentiaire Inrichtingen Amsterdam disproportioneel is en de minister een andere oplossing voor de ontstane situatie had moeten beproeven, kunnen hieraan, gelet op de aard en de ernst van de gerezen verdenking, niet afdoen. Ook de stelling van appellant dat een poging tot bemiddeling had moeten worden ondernomen treft geen doel, waarbij de Raad nog opmerkt dat ten tijde hier van belang geen voorschrift daartoe verplichtte.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.