Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9239

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
04-6300 WAO + 06-7137 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6300 WAO, 06/7137 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle - Lelystad van 14 oktober 2004, 04/104 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.H.H. Schepers, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich – zoals tevoren schriftelijk was bericht – niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Het Uwv heeft bij primair besluit van 15 augustus 2002 aan appellant met ingang van 30 april 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 14 januari 2003 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2002 ongegrond verklaard.

Het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 14 januari 2003 is door de rechtbank Zwolle – Lelystad bij uitspraak van 26 juni 2003 gegrond verklaard, waarbij het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

Bij ter uitvoering van deze uitspraak genomen besluit van 24 december 2003 is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Het tegen dit laatstgenoemde besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Zwolle – Lelystad bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2006, onder intrekking van het besluit van 24 december 2003, het bezwaar van appellant gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 29 april 2002 vastgesteld op 65 tot 80%.

Zoals blijkt uit het besluit van 13 december 2006 handhaaft het Uwv niet langer zijn in het besluit van 24 december 2003 vervatte standpunt. Het besluit van 13 december 2006 is te beschouwen als een besluit in de zin van art. 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dat besluit niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet is gekomen, volgt uit art. 6:19, eerste lid, in samenhang met art. 6:24, van de Awb dat het beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen dat besluit. Nu appellant in het beroepschrift bij de rechtbank verzocht heeft het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade heeft hij belang bij vernietiging van het ingetrokken besluit van 24 december 2003. De Raad zal, onder gegrondverklaring van het beroep, de aangevallen uitspraak en het besluit van 24 december 2003 vernietigen.

Appellants verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient als gevolg van 's Raads jurisprudentie te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop die rente dient te worden berekend, volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 13 december 2006 is de Raad van oordeel dat de belastbaarheid van appellant door het Uwv - in navolging van de verzekeringsarts - niet onjuist is gewaardeerd.

Uit de medische stukken is de Raad niet kunnen blijken dat appellant meer beperkt is in zijn arbeidsmogelijkheden dan het Uwv heeft aangenomen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan het in opdracht van appellant uitgebrachte rapport van psychiater dr. L. Timmerman van

29 maart 2004.

Van de zijde van appellant is in hoger beroep nog informatie in geding gebracht van de klinisch genetici dr. L.B.A. de Vries van 12 december 2006 en drs. C.L.M. Marcelis van 2 november 2006. De Raad ziet hierin echter geen aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat appellants medische beperkingen zijn onderschat.

De Raad is verder, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige H.J. van Heun van 4 december 2006, van oordeel dat aan appellant voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen zijn voorgehouden, die vallen binnen de belastbaarheid van appellant en die de conclusie rechtvaardigen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de WAO terecht is vastgesteld op 65 tot 80%.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het besluit van 13 december 2006 stand kan houden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 24 december 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn ingesteld tegen het besluit van

13 december 2006 ongegrond;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van renteschade zoals hiervoor in rubriek II is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.