Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9221

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
05-718 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAZ-uitkering. Onjuiste motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/718 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 januari 2005, 04/745 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2007. Appellant is in persoon verschenen en het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 8 maart 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 februari 2003, waarbij aan appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is geweigerd om reden dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 juli 2002 minder dan 25% bedroeg.

Het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Ter zitting van de Raad heeft het Uwv medegedeeld wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft het bestreden besluit een dusdanig ernstig gebrek vertoont dat aan vernietiging daarvan niet zal zijn te ontkomen. Het Uwv heeft namelijk, door te volstaan met het maken van een deeltakenanalyse, ten onrechte geen functies geduid. Het besluit is dus in strijd met hetgeen in de uitspraak van de Raad van 26 maart 1999 (LJN: ZB8222) is geoordeeld. De Raad heeft in deze uitspraak overwogen dat onder de werking van het sedert 1 augustus 1993 geldende wettelijke arbeidsongeschiktheidscriterium en de in het Schattingsbesluit (van 31 januari 1996, Stb. 75) neergelegde regels, in eigen bedrijf doorwerkende zelfstandigen in beginsel geschat dienen te worden op basis van functies in loondienst. Om deze reden dient het bestreden besluit, ook naar het oordeel van de Raad, te worden vernietigd.

Wat betreft de medische kant van de schatting overweegt de Raad dat de audioloog dr. J.N. van Dijkhuizen in haar rapportage van 7 juli 2004 heeft geschreven dat appellant een slechthorende man is met een groot asymmetrisch gehoorverlies die zich niet meer kan handhaven in zijn huidige werksituatie. Indien rekening gehouden wordt met de (in de rapportage beschreven) aanbevelingen, is het mogelijk dat appellant voor het arbeidsproces behouden blijft, aldus voorts deze audioloog, die hieraan heeft toegevoegd dat er hierbij dan wel van moet worden uitgegaan dat een 40-urige werkweek de norm is en niet een 68-urige.

De Raad is van oordeel dat het Uwv de conclusie van deze rapportage onvoldoende in zijn besluitvorming heeft betrokken. Dat Van Dijkhuizen ongeveer twee jaar na de datum in geding heeft gerapporteerd, doet daaraan niet af. De Raad overweegt hiertoe dat appellant op de datum van uitval ook al oorklachten claimde. Voorts zijn in genoemde rapportage aanwijzingen te vinden dat appellant niet in staat is meer dan 40 uur per week te werken, zodat het Uwv had moeten bekijken of en had moeten motiveren dat, en zo nee waarom niet, er een urenbeperking aan de orde was. Anders dan de rechtbank is de Raad derhalve van oordeel dat het bestreden besluit een voldoende motivering ontbeert.

Nu zowel de medische als de arbeidskundige kant van de zaak een juiste motivering ontbeert, dient zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit te worden vernietigd. Het Uwv zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Voor een vergoeding van proceskosten zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar moet nemen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 37,- + € 102,-, in totaal € 139,- , aan hem moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) P.H. Broier.

JL