Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
04-7230 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7230 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2004, 03/2264 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2007. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 3 april 2003, aangevuld bij besluit van 20 april 2004, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die voordien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%, heeft herzien en met ingang van 20 februari 2004 heeft berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard onder overweging – kort samengevat – dat de door appellant gestelde afname van zijn belastbaarheid niet is onderbouwd met medische gegevens, dat voorts niet is gebleken dat het medisch onderzoek onzorgvuldig of anderszins onjuist is geweest en dat er daarom geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van de bestreden besluiten. Voor een overzicht van de aan de besluiten van 3 april 2003 en 20 april 2004 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

In hoger beroep heeft appellant evenals in beroep gesteld dat zijn beperkingen groter zijn dan is aangenomen, dat de beperkingen grotendeels van psychische aard zijn en daarom moeilijk met medische verklaringen te onderbouwen, dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de verklaring van psychiater Lisei dat appellant vanwege zijn medicatie niet naar buiten mag en ten slotte dat nader psychisch onderzoek noodzakelijk was om te bepalen welke functies appellant geacht kon worden te vervullen.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen reden is om aan te nemen dat de verzekeringsartsen de medische beperkingen van appellant onzorgvuldig dan wel onjuist hebben vastgesteld. De Raad betrekt het volgende in zijn oordeel.

Primair verzekeringsarts R. van Altena heeft blijkens zijn rapport van 29 augustus 2003 na kennisneming van de stukken betreffende de klachten van appellant, anamnese en eigen onderzoek van appellant ‘nauwelijks evidente lichamelijke beperkingen vastgesteld’ en geconstateerd dat er een discrepantie bestaat tussen de door appellant ervaren klachten en beperkingen en de objectieve medische gegevens. Bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant heeft hij desalniettemin rekening gehouden met klachten van beginnende coxarthrose, astma en psychische klachten. Bezwaarverzekeringsarts W.A. Faas heeft in zijn rapport van 19 april 2004 de bevindingen van de primaire verzekeringsarts onderschreven.

De Raad stelt vast dat appellant geen medische stukken ter onderbouwing van zijn stelling dat zijn psychische klachten zijn onderschat, heeft overgelegd. Daarbij merkt de Raad op dat ten aanzien van psychische klachten door ter zake deskundigen doorgaans een objectieve medische vaststelling kan worden gedaan en het verkrijgen en vervolgens overleggen van stukken zeer wel mogelijk is. Gesteld noch gebleken is dat dit in casu anders is.

De Raad overweegt voorts dat het dossier geen verklaring van psychiater Lisei bevat waaruit volgt dat appellant vanwege zijn medicatie niet naar buiten mag. De Raad wijst er ten overvloede nog op dat bezwaarverzekeringsarts Faas in zijn rapport van 4 april 2005 heeft aangegeven in het medicijngebruik van appellant geen reden te zien om niet naar buiten te mogen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Raad geen reden om appellant te volgen in zijn stelling dat hij met het oog op de te vervullen functies nader psychisch onderzocht had moeten worden.

Uitgaande van de op 29 augustus 2003 vastgestelde ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ overweegt de Raad derhalve, met de rechtbank, dat appellant op de datum in geding, 20 februari 2004, in staat kon worden geacht tot het vervullen van de hem voorgehouden functies, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en A. de Kwaasteniet en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.