Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
05/6506 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6506 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[verzoeker], (hierna: verzoeker),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 oktober 2005, 04/2758 WW,

in het geding in hoger beroep tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 november 2006.

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 oktober 2005, 04/2758 WW.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006. Verzoeker is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Bär, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en

redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak of over de betrokken uitspraak te openen.

2.1. De uitspraak van de Raad, waarvan herziening is verzocht, heeft betrekking op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2004, 03/877, tot ongegrondverklaring van het beroep van verzoeker tegen de beslissing op bezwaar van het Uwv van 29 november 2002. In dat besluit heeft het Uwv zijn besluit van 8 oktober 2002 gehandhaafd en het bezwaar van verzoeker tegen de weigering om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de bij beschikking van de kantonrechter ten laste van de werkgever aan verzoeker toegekende ontbindingsvergoeding geheel over te nemen, ongegrond verklaard.

2.2. De Raad heeft in zijn uitspraak onder meer overwogen dat de ontbindingsvergoeding niet aan enige in artikel 64 van de WW genoemde periode kan worden toegerekend zodat deze niet in aanmerking komt voor overneming door het Uwv, en dat verzoeker met overneming van de helft van de ontbindingsvergoeding niet tekort is gedaan.

2.3. In overweging 3.3. van zijn uitspraak heeft de Raad het volgende overwogen:

“Nu uit de stukken niet anders kan worden afgeleid dan dat de laatste betaling van de werkgever eind september 2001 is gedaan en betrekking had op het salaris over die maand, ontgaat het de Raad wat appellant beoogt te bereiken met zijn stelling dat loonbetalingen moeten worden toegerekend aan de oudste schuld, als hoedanig appellant de ontbindingsvergoeding aanmerkt. Immers, in die visie heeft de werkgever betaald en valt er door gedaagde evenmin meer over te nemen dan hij heeft gedaan.”

3. Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift dat de laatste zin van overweging 3.3. van de uitspraak van de Raad duidt op een kennelijke misslag, nu daaruit blijkt dat de Raad niet heeft onderkend dat, indien de door de werkgever eind september 2001 gedane betaling was toegerekend aan de door hem verschuldigde ontbindingsvergoeding, het loon over de maand september 2001 voor overneming in aanmerking zou zijn gekomen.

4.1. Zo de kwalificatie kennelijk misslag in dezen al juist zou zijn, hetgeen de Raad in het midden laat, ziet de Raad in hetgeen verzoeker in zijn verzoekschrift heeft gesteld geen feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:88 van de Awb.

4.2. Het verzoek om herziening dient daarom te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.R.S. Bacon.