Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
23-02-2007
Zaaknummer
04-5033 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nadere aspecten CBBS. Belang van juiste wijze van invulling Functionele Mogelijkheden Lijst, in verband met in toelichtingen verborgen beperkingen. Eis van inzichtelijkheid en toetsbaarheid. Actualiseringsdatum functies na datum in geding.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007/125
USZ 2007/91 met annotatie van mr. A. Wit
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5033 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 augustus 2004, 04/161 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat te Maasbracht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Van de zijde van appellant zijn nadere stukken ingezonden, waarop namens het Uwv is gereageerd.

Het Uwv heeft andermaal een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Meuwissen, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Hernieuwd onderzoek ter zitting heeft, ten dele gevoegd met een aantal andere zaken, plaatsgevonden op 12 januari 2007. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door E.J.S. van Daatselaar, beleidsmedewerker en jurist, H.A.M. Hulshof, senior bezwaararbeidsdeskundige, W.C. Otto, verzekeringsarts en beleidsmedewerker en D. Vermeulen, arbeidsdeskundig analist. Voor appellant is wederom verschenen zijn raadsman mr. Meuwissen, voornoemd.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in iedere zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming in het onderhavige geding gaat de Raad, voor zover van belang, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is met ingang van 18 september 1980 wegens rechter enkelklachten in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Naderhand zijn er nog (andere) klachten aan (onder)benen en knieën bijgekomen. De uitkering van appellant is nadien als volgt herzien: per 2 september 1981 naar 45 tot 55%, per 1 december 1985 naar 35 tot 45% en per 12 februari 1995 naar 25 tot 35%. Vanaf 1 april 1995 is de arbeidsongeschiktheid van appellant blijvend en geheel buiten aanmerking gelaten, omdat hij een aantal keren niet was verschenen op oproepen om te verschijnen op het spreekuur van de verzekeringsarts van het Uwv.

In januari 2002 heeft appellant verzocht om heropening van zijn uitkering. Tevens heeft hij daarbij aangegeven dat er sinds één tot anderhalf jaar sprake is van toegenomen klachten.

De verzekeringsarts van het Uwv heeft op grond van het ingestelde onderzoek in de eerste plaats vastgesteld dat bij appellant sprake is van nieuw opgekomen (gewrichts)klachten, veroorzaakt door jicht, welke volgens die arts buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat die klachten zouden zijn ontstaan in een niet-verzekerde periode. Tevens heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat, wat betreft de oorspronkelijke klachten en beperkingen, appellants belastbaarheid ongewijzigd is gebleven ten opzichte van het aan de herziening van appellants uitkering per 12 februari 1995 ten grondslag gelegde belastbaarheidspatroon van 14 oktober 1994.

De verzekeringsarts heeft de aldus volgens hem in aanmerking te nemen beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en een kritische FML (kFML), met als (VA-mutatie)datum 1 mei 2003.

Aan diens rapport van 27 mei 2003 ontleent de Raad dat de arbeidsdeskundige M. Schonewille vervolgens aan de hand van raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies heeft geselecteerd die appellant, gegeven de voor hem van toepassing geachte beperkingen, nog zou moeten kunnen vervullen en daarbij heeft vastgesteld dat appellant met die functies ten opzichte van het maatgevende inkomen een loonverlies lijdt van 26,92%.

Bij besluit van 20 juni 2003 heeft het Uwv, in lijn met vorenomschreven verzekerings-geneeskundige en arbeidskundige uitgangspunten, de uitkering van appellant met ingang van 1 mei 2001 heropend, onder overweging dat appellant inmiddels weer voldoet aan de op hem rustende verplichting om mee te werken aan de beoordeling van zijn arbeids-ongeschiktheid en dat de mate van arbeidsongeschiktheid op en na laatstgenoemde datum ongewijzigd is vastgesteld op 25 tot 35%.

Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 20 juni 2003 gemaakte bezwaar, heeft de bezwaarverzekeringsarts een nader onderzoek ingesteld, waarvan deel uitmaakte een aanvullend geneeskundig onderzoek. Uit het van dat onderzoek opgestelde rapport van 30 oktober 2003 en uit een aanvullend verzekeringsgeneeskundig rapport van 25 november 2003, komt naar voren dat de bezwaarverzekeringsarts, die in afwijking van de primaire verzekeringsarts bij het vaststellen van de voor appellant van toepassing te achten beperkingen op zich ook de jichtklachten in zijn beoordeling heeft betrokken, zich heeft kunnen verenigen met de door de primaire verzekeringsarts voor appellant in aanmerking genomen beperkingen, als neergelegd in de hiervoor genoemde (k)FML.

De jichtklachten bleken volgens de bezwaarverzekeringsarts namelijk niet tot additionele beperkingen te hebben geleid, terwijl in vergelijking met het belastbaarheidspatroon van 14 oktober 1994 ook voor het overige geen sprake was van toegenomen beperkingen.

De hiervoor genoemde arbeidsdeskundige heeft, naar aanleiding van de vraag van de afdeling B&B (Bezwaar en Beroep) van het Uwv om te beoordelen wat de arbeidsongeschiktheidsklasse is van appellant per 1 mei 2001, een nader onderzoek ingesteld. Hij heeft vervolgens opnieuw het CBBS geraadpleegd en andere functies geselecteerd, waarvan de actualiseringsdatum, anders dan die van de in eerste instantie geselecteerde functies, vóór 1 mei 2001 is gelegen. De aan die nader geselecteerde functies te ontlenen verdiencapaciteit bleek in vergelijking met het maatmaninkomen tot een loonverlies van 35,80% te leiden, zodat de arbeidsdeskundige (nader) heeft geadviseerd appellant per 1 mei 2001 in te delen in de klasse 35 tot 45%.

De bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten heeft zich met dit nadere arbeidskundige advies niet kunnen verenigen. Naar het oordeel van deze bezwaararbeidsdeskundige dient voor de onderhavige schatting te blijven worden uitgegaan van de functies die in eerste instantie waren geselecteerd. In zijn rapport van 7 januari 2004 heeft hij dit als volgt toegelicht:

"Zowel het FIS als het CBBS-systeem bieden niet de mogelijkheid om een selectie te doen per een datum in het verleden. Een selectie kan alleen maar gedaan worden binnen het actuele functiebestand. Van bekende functies kan er wel nagegaan worden of die functies, op een bepaalde datum, in het historische bestand aanwezig waren.

Functies uit het historisch bestand die per datum in geding wel actueel en geschikt waren maar niet meer zijn opgenomen in het huidige actuele bestand zijn niet meer te traceren. Dit betekent dat er in een situatie zoals deze, waarbij er een arbeidsongeschiktheid vastgesteld moet worden per een datum in het verleden, geen valide arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gedaan kan worden. Er is namelijk geen zicht meer op de destijds beschikbare functies. Dat we in deze situatie terecht zijn gekomen is niet te wijten aan een nalatigheid van de UWV maar is veroorzaakt doordat belanghebbende het UWV niet de gelegenheid heeft geboden om een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling te doen op de momenten dat dit aan de orde was. Gezien deze gang van zaken is het redelijk te achten om, uitgaande van per l-5-'01 van toepassing zijnde belastbaarheid een selectie te doen uit het actuele functiebestand en met de aldus verkregen actuele lonen in relatie tot het geïndexeerde maatloon een verlies aan verdiencapaciteit te berekenen. Het is redelijk er van uit te gaan dat de per datum in geding van toepassing zijnde mate van arbeidsongeschiktheid, gelijk te stellen is aan het aldus berekende verlies aan verdiencapaciteit. Bij de primaire beoordeling zoals omschreven in de ad-rapportage d.d. 27-5-'03, heeft een dergelijke beoordeling plaatsgevonden. Dit leidde tot een arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Het bezwaar en de gegevens van de bezwaarverzekeringsarts in aanmerking nemende is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die beoordeling.

Zoals blijkt uit de medische gegevens was de belastbaarheid, waarvan bij die arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is uitgegaan, ook al van toepassing per datum in geding op l-5-'01. Zoals hierboven omschreven is het op grond hiervan redelijk te achten om er van uit te gaan dat de arbeidsongeschiktheid van 25-35% ook al bestaan moet hebben op l-5-'01."

In een rapport van 25 maart 2004 heeft genoemde bezwaararbeidsdeskundige de door hem voorgestane benadering als volgt nader gemotiveerd:

"In mijn rapportage d.d. 7-1-'04 geef ik aan dat de per 1-5-'01 van toepassing te achten verdiencapaciteit en mate van arbeidsongeschiktheid gebaseerd had dienen te worden op de functies die geduid zijn in de ad-rapportage d.d.

27-5-'03. In die rapportage heb ik ook gemotiveerd op grond waarvan het redelijk te achten is voor die afwijkende methodiek te kiezen. Dit vloeit voort uit het gegeven dat belanghebbende ons de mogelijkheid heeft ontnomen (door de veel latere melding) om de normaal gangbare werkwijze te volgen. Het FIS en ook het CBBS bevatten een functiebestand wat doorlopend aan wijzigingen onderhevig is. Sommige functies worden geactualiseerd maar er worden ook doorlopend functies verwijderd uit het systeem en er worden nieuwe functies aan toegevoegd. Het systeem kan alleen functies selecteren uit het actuele bestand. Dit betekent dat de voorheen actuele functies, die inmiddels niet meer in het systeem zijn opgenomen, buiten aanmerking blijven bij de selectie. Een selectie geeft hoe dan ook dus geen juist beeld van de situatie in het verleden.

Er wordt gesteld dat ik uit het oog heb verloren dat de actualiseringsdatum van die functies (ad-rapportage d.d. 27-5-'03) ligt na de datum in geding d.d. 1-5-'01. Uit bovenomschreven motivatie waarom er in dit bijzondere geval uitgegaan dient te worden van de actuele functies blijkt dat ik niet uit het oog heb verloren dat de actualiseringsdatum van de functies ligt na de datum in geding."

Het Uwv heeft het vorenomschreven advies van zijn bezwaararbeidsdeskundige opgevolgd en heeft bij besluit van 13 januari 2004, hierna: het bestreden besluit, het primaire besluit van 20 juni 2003 gehandhaafd.

Van de zijde van appellant zijn in beroep verschillende bezwaren van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. De rechtbank heeft deze bezwaren verworpen en heeft, van oordeel zijnde dat de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist zijn, het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant alle in eerdere stadia van de procedure naar voren gebrachte bezwaren gehandhaafd.

Op grond van het volgende is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden.

Onder verwijzing naar het verhandelde ter beide zittingen overweegt de Raad in de eerste plaats dat er bedenkingen bestaan tegen de wijze waarop de verzekeringsarts de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende (k)FML van 1 mei 2003 heeft ingevuld. De Raad doelt hierbij op het volgende. Uit de (k)FML komt naar voren dat de verzekeringsarts bij sommige belastbaarheidsaspecten heeft aangegeven dat appellant normaal belastbaar is, terwijl uit de bij de betreffende aspecten gegeven toelichting naar voren komt dat er toch zekere beperkingen van toepassing worden geacht, in de vorm van het voldaan moeten zijn aan bepaalde aanvullende voorwaarden dan wel anderszins. Bij weer een ander belastbaarheidsaspect is weliswaar aangegeven dat een bepaalde beperking van toepassing is, maar blijkt uit de verstrekte toelichting dat appellant door de verzekeringsarts feitelijk zwaarder beperkt wordt geacht dan in overeenstemming is

met de ingevulde score.

Zo wordt in rubriek 4, dynamische handelingen, onder punt 21 (klimmen) aangegeven dat appellant normaal belastbaar is en ten minste een ladder op en af kan (1 verdieping), terwijl in de toelichting wordt vermeld dat voorwaarde daartoe is dat sprake is van makkelijke condities en dat appellant onbelast moet zijn.

In rubriek 5, statische houdingen, wordt onder punt 1 (zitten) aangegeven dat appellant normaal belastbaar is en ongeveer

2 uur achtereen kan zitten, terwijl in de toelichting wordt aangegeven dat voorwaarde daartoe is dat er een mogelijkheid bestaat tot dynamische vertreding. Voor punt 2 (zitten tijdens het werk) geldt hetzelfde.

Onder punt 3 van dezelfde rubriek (staan) wordt vermeld dat appellant licht beperkt is en ongeveer een half uur achtereen kan staan, terwijl in de toelichting wordt aangegeven dat dit beperkt is tot 15 tot 30 minuten.

Onder punt 4 (staan tijdens het werk) wordt vermeld dat appellant licht beperkt is en zo nodig gedurende de helft van de werkdag (ongeveer 4 uren) kan staan, terwijl in de toelichting wordt aangegeven dat dit gemaximeerd is tot 2 uren per werkdag.

In een van de andere zaken waarmee de onderhavige zaak ten dele gevoegd opnieuw is behandeld ter zitting van de Raad op 12 januari 2007, heeft de Raad bij brief van 28 september 2006 onder meer enkele vragen aan het Uwv gesteld betreffende deze - ook in die zaak toegepaste - wijze van invulling van de FML en de kFML, welke door het Uwv zijn beantwoord bij brief van 14 november 2006. Bij die brief waren onder meer als bijlagen gevoegd de gebruikershandleiding CBBS, bestemd voor verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, en de naderhand tot stand gekomen als aanvulling daarop dienende werkinstructie CBBS.

In genoemde brief van 14 november 2006 heeft het Uwv met betrekking tot deze kwestie onder meer het volgende naar voren gebracht:

"Uw vragen over de wijze waarop in onderhavige kwestie de FML is ingevuld, hebben betrekking op de wijze waarop gebruik gemaakt wordt door de (bezwaar)verzekeringsarts van de mogelijkheid om bij de beoordelingspunten op de FML een toelichting te geven. Met behulp van een toelichting kan de (bezwaar)verzekeringsarts nader aanduiden waar ongeveer de grens van betrokkenes mogelijkheden liggen of nadere voorwaarden stellen.

Alvorens op de wijze van invullen van de onderhavige FML in te gaan willen wij een kort historisch overzicht geven van het gebruik van de FML binnen het CBBS.

De eerste fase is die vanaf de introductie van het CBBS medio 2001. Deze is vergezeld gegaan met het verschijnen van de "Gebruikershandleiding CBBS" waarvan u hierbij een afschrift ontvangt. De wijze van invullen van de FML was in die fase niet wezenlijk anders dan daarvoor bij het FIS het geval was. De verzekeringsarts scoort op de gestandaardiseerde niveaus zoals die op de FML staan vermeld en geeft een toelichting voor zover de standaardwaarden en formuleringen onvoldoende tegemoet komen aan de nuance van de oordeels-vorming. Een toelichting zal in het algemeen een nadere aanduiding of precisering van het niveau van de mogelijkheden van de cliënt aangeven of een nuancering zijn ten opzichte van de in de FML opgenomen standaard-formuleringen. Voor sommige beoordelingspunten geldt dat een toelichting verplicht is. Dat is bij die punten waar staat: "…, namelijk...." Bij die punten is dus niet sprake van een standaardformulering, maar moet de verzekeringsarts de mogelijkheden en beperkingen van cliënt zelf omschrijven.

Voor de arbeidsdeskundige geldt dat hij bij de professionele eindselectie altijd met het geheel van mogelijkheden en beperkingen rekening moet houden, dat wil zeggen met alles wat er in de verzekeringsgeneeskundige rapportage en op de FML staat vermeld, inclusief alle daarop voorkomende toelichtingen.

Deze manier van werken is in zijn essentie in de loop der jaren niet gewijzigd. De tweede fase is die vanaf het verschijnen van de Werkinstructie CBBS (kortweg: werkinstructie). Er bleken na de introductie van het CBBS nog vragen te liggen ten aanzien van gebruik en interpretatie van het systeem. Dit vormde enerzijds aanleiding tot het doorvoeren van verbeteringen, anderzijds tot het opstellen van aanvullende instructies. Wij verwijzen hiervoor verder naar hoofdstuk 1, de Inleiding op de werkinstructie. Van belang voor de onderhavige casus is dat vanaf juli 2002 het eerste deel van de werkinstructie (de hoofdstukken 2 tot en met 5) is geïmplementeerd, vanaf januari 2003 het tweede deel (de hoofdstukken 6 tot en met 10). Niet van belang voor deze casus, maar volledigheidshalve, merken wij op dat per oktober 2004 een elfde hoofdstuk is toegevoegd. De wijzigingen in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten waren aanleiding tot aanpassing van de rubriek werktijden in het CBBS (VI), wat tot gevolg had dat ook de instructies moesten worden aangepast. Er is toen tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om met name de beoordelingspunten VI.2 en VI.3 meer in overeenstemming te brengen met de inrichting van de beoordelingspunten in de overige rubrieken. De derde fase is die vanaf het aanbrengen van de wijzigingen naar aanleiding van uw uitspraken van 9 november 2004 over CBBS (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJ nummers AR4716 t/m AR47919, AR4721 en AR4722). In dezelfde periode - vanaf begin 2005 - hebben alle gebruikers van het CBBS een (verplichte, driedaagse) nascholing gevolgd met als centraal thema de gezamenlijke oordeelsvorming door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige en het optimaal gebruik van het instrument CBBS daartoe. Een belangrijk punt van aandacht daarbij is geweest de wijze van invullen van de FML door de verzekeringsarts, inclusief de inhoud en het gebruik van toelichtingen. Het ging hier om een zogeheten verdiepingsslag, de werkinstructie CBBS is bijvoorbeeld niet veranderd.

Als de mogelijkheden van de cliënt tussen twee (standaard)waarden liggen geldt voor wat betreft het invullen van de FML ten aanzien van de rubrieken I tot en met V nog steeds wat in de werkinstructie CBBS, hoofdstuk 10, staat vermeld. Een toelichting moet dus betrekking hebben op de mogelijkheden boven de aangegeven waarde. Met andere woorden, er mag niet worden ingevuld: "Normaal, kan ongeveer 15 kg tillen of dragen" met een toelichting "niet meer dan 12 kg". In dit voorbeeld moet worden ingevuld: "Licht beperkt, kan ongeveer 10 kg tillen of dragen" met een toelichting "niet meer dan

12 kg". Dit is in de praktijk vooral aan de orde in de rubrieken IV Dynamische handelingen en V Statische houdingen van de FML, omdat daar de meeste beoordelingspunten voorkomen die een gradering kennen."

en

"Ten aanzien van toelichtingen bij normaalwaarden geldt een aparte instructie. Ook hier geldt dat de verzekeringsarts geen toelichting behoort te geven die erop duidt dat de mogelijkheden van cliënt zijn beperkt tot een niveau dat ligt onder de betreffende normaalwaarde."

en

"Uw Raad vraagt of in CBBS in huidige vorm, wanneer er sprake is van beperkingen die niet als beperkingen op de FML zijn ingevuld, maar deze worden opgenomen in een toelichting, dit tot gevolg kan hebben dat die beperkingen bij de geautomatiseerde functieselectie mogelijk niet door het systeem als beperking zullen worden herkend en aldus bij die selectie ten onrechte buiten beeld zullen blijven. U vraagt of het onder die omstandigheden kan gebeuren dat er geen signalering ("M") verschijnt waar deze wel is aangewezen, omdat de belastbaarheid in de functie de functionele mogelijkheden van betrokkene mogelijk te boven gaat.

Het antwoord hierop luidt dat inderdaad niet bij elke toelichting een signalering verschijnt, dit verschilt namelijk per beoordelingspunt van de FML. Voor een goed begrip van deze problematiek is noodzakelijk om in detail op de recente wijzigingen in CBBS in te gaan. In de periode van 28 april 2005 tot 8 oktober 2005 is een aantal wijzigingen doorgevoerd in CBBS naar aanleiding van de uitspraken van 9 november 2004 van uw Raad over CBBS. Vóór 28 april 2005 leidde een toelichting op zich niet tot een signalering. Bij de gefaseerde invoering van de wijzigingen aan CBBS is er voor gekozen om eerst de drie hoofdpunten uit de uitspraken van 9 november 2004 aan te passen, waaronder het op print zichtbaar maken van alle signaleringen in CBBS. Daarbij heeft aanvankelijk ook een uitbreiding van het aantal signaleringen plaatsgevonden door aan elke toelichting op de FML het gevolg te verbinden dat deze door het systeem aan de arbeidsdeskundige zouden worden gesignaleerd. Vóór 28 april 2005 was dit niet het geval. Bij de beschouwing van de uitspraken van uw Raad en de daaruit voortvloeiende aanpassingen uit CBBS, is dit als een verdere verbetering van het systeem bij het zichtbaar maken van de signaleringen meegenomen. Vanaf 28 april 2005 leidde elke toelichting tot een signalering, ook als er sprake was van een waarde welke feitelijk niet werd overschreden. Dit werd bij nader inzien als ongewenst ervaren omdat dit leidde tot een groot aantal irrelevante signaleringen. Daarom is op 8 oktober 2005 deze aanpassing gedeeltelijk teruggedraaid. Hieronder gaan we in detail op deze wijziging in.

CBBS-release 8 oktober 2005

Bij deze release van 8 oktober 2005 (welke release diende als sluitstuk van de aanpassingen naar aanleiding van de meergenoemde uitspraken van 9 november 2004) is CBBS zodanig aangepast dat bij een aantal matchende punten (beoordelingspunten waarbij de op de FML aangegeven waarden automatisch met waarden in de functiebelasting worden vergeleken) een toelichting van de VA niet langer leidt tot een signalering, zolang de aangegeven waarde niet wordt overschreden.

Het betreft de volgende beoordelingspunten op de FML:

1.9.1, 2.8, 2.9, 2.12.4, 2.12.5, 3.1, 3.2, 3.6, 4.3.1 t/m 4.3.8, 4.5 t/m 4.21, 5.1 t/m 5.8 en 6.1 t/m 6.3.

Voor de bovengenoemde punten is de programmatuur zo aangepast dat indien er op grond van de matching geen signalering plaats vindt, het geven van de toelichting door de verzekeringsarts bij de betreffende beoordelingspunten ook geen signalering tot gevolg heeft. De algemene regel is dat de matching plaats heeft op een waarde. Bij het optreden van een belasting gelijk of kleiner dan de toegestane belasting van de cliënt is de gegeven toelichting niet relevant. Immers volgens de instructie aan de verzekeringsartsen moet de toelichting gaan over een gebied/ waarde boven de aangegeven waarde (met uitzondering van het beoordelingspunt 4.22 'Knielen of hurken).

Met de release van 8 oktober 2005 is gerealiseerd dat op de aangegeven matchende punten, het systeem pas gaat signaleren dat er mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene, als de aangegeven waarde wordt overschreden - zoals voor 28 april 2005 ook het geval was.

Uitgaande van het voorbeeld onder "Invulling FML" zou een signalering op basis van de toelichting van de verzekeringsarts bij een functie waarin tillen tot 5 kg voorkomt geen betekenis hebben voor de nadere beoordeling door de arbeidsdeskundige.

Vanaf 8 oktober 2005 wordt er door CBBS alleen een signalering afgegeven als de aangegeven waarde (bijvoorbeeld 10kg) wordt overschreden. De arbeidsdeskundige kan dan aan de hand van de toelichting beoordelen of de functie blijft binnen de grenzen van de mogelijkheden van betrokkene.

Voor alle duidelijkheid willen wij benadrukken dat voor alle hiervoor niet opgesomde punten op de FML dus geldt dat een toelichting leidt wel tot een signalering.”

Op grond van de hiervoor weergegeven passages uit de brief van het Uwv alsmede gelet op het verhandelde ter zitting, stelt de Raad in de eerste plaats vast dat van de zijde van het Uwv (inmiddels) wordt erkend dat een manier van invullen van de (k)FML waarbij gebruik wordt gemaakt van in toelichtingen verborgen beperkingen bezwaren ontmoet - als hierna nog nader uiteengezet - en dat op grond van de huidige inzichten van het Uwv, welke ook hun beslag hebben gekregen in aangepaste werkinstructies, een dergelijke werkwijze door de verzekeringsartsen - dan ook - niet langer wordt toegepast.

De Raad acht dit juist. In zijn uitspraken van 12 oktober 2006, zie LJN: AY9971, inzake de door het Uwv naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, zie LJN: AR4717, aan het CBBS aangebrachte aanpassingen, heeft de Raad overwogen het genoegzaam aannemelijk te achten dat het aangepaste systeem, zowel bij de matchende als bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde - welke zich doorgaans zullen kunnen voordoen indien hij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde - alle onderkent en signaleert, waarmee wordt bereikt dat voor alle betrokkenen - de verzekerde zelf, diens eventuele rechtshulpverlener alsmede de rechter - op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting, onder omstandigheden als resultaat van voorafgaand overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts, noodzakelijk is ter onderbouwing van de passendheid van de betreffende functies.

In zijn uitspraken van 12 oktober 2006 is evenwel tevens overwogen dat van de zijde van het Uwv is benadrukt - en de Raad heeft zich daarbij aangesloten - dat voorwaarde daartoe wel is dat de verzekeringsarts de (k)FML op juiste wijze invult en daarbij in het bijzonder erop toeziet dat een beperking ook daadwerkelijk als een beperking wordt opgenomen en niet wordt verstopt in een toelichting bij een overigens als normaalwaarde aangegeven score, daar anders het systeem die beperking bij de geautomatiseerde vergelijking niet als zodanig herkent. In zijn brief van 14 november 2006 als ook ter zitting heeft het Uwv bevestigd dat het onjuist invullen van de (k)FML tot ongewenste gevolgen kan leiden.

Een wijze van invulling van de (k)FML waarbij niet alle door de verzekeringsarts van toepassing geachte beperkingen ook daadwerkelijk als een beperking worden ingevuld, maar worden opgenomen in een toelichting - de hiervoor vermelde voorbeelden van de aspecten “staan” en “staan tijdens het werk” vormen hiervan naar het oordeel van de Raad een duidelijk voorbeeld - kan immers met zich brengen dat die beperkingen bij de functieselectie door het systeem ten onrechte buiten beeld blijven. Dat kan en zal doorgaans tot gevolg hebben dat in het - thans geheten - Resultaat Functiebeoordeling geen gegevens worden getoond met betrekking tot de belasting van een functie op het betreffende onderdeel of de betreffende onderdelen en dat aldus niet controleerbaar is of mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van de verzekerde op het betreffende onderdeel.

In een dergelijk geval bestaat aldus het risico dat de motivering van de arbeidsongeschikt- heidsbeoordeling aan de hand van het eindresultaat functieselectie niet volstaat en dat een schattingsbesluit dat enkel op zodanige motivering is gegrond wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in rechte geen stand zal kunnen houden.

Of in een voorliggend geval die conclusie dient te worden getrokken zal, naast andere zich concreet voordoende feiten en omstandigheden, afhangen van aantal en aard van de verborgen beperkingen, en het antwoord op de vraag of geen beperking dan wel een minder ernstige beperking is aangegeven.

De Raad wil in dit verband nog wel het volgende opmerken. Van de zijde van het Uwv is benadrukt, en zulks is ook in de eerder genoemde werkinstructie CBBS opgenomen, dat het CBBS, evenals overigens zijn voorganger het FIS, niet goed is afgestemd op bepaalde beperkingen, waaronder beperkingen als gevolg van (functionele) eenarmigheid, eenbenigheid, rolstoelafhankelijkheid, blindheid en doofheid. In gevallen waarin dit aan de orde is, kan niet onverkort worden vastgehouden aan het uitgangspunt om alle bij de verzekerde vastgestelde beperkingen op de daartoe bestemde plaats in de (k)FML op te nemen. Teneinde te komen tot een selectie van een voldoende aantal potentieel geschikte functies, wordt dan gebruik gemaakt van een zogeheten functionele invulling van de (k)FML. De arbeidsdeskundige zal in dergelijke gevallen, in samenspraak met de verzekeringsarts, de aan de hand van die methode door het systeem geselecteerde functies - die selectie zal als gevolg van de evenbedoelde functionele invulling van de (k)FML veelal te ruim blijken te zijn - “handmatig” nader dienen te beoordelen op daadwerkelijke passendheid.

Daarnaast is erop gewezen dat bij het belastbaarheidsaspect IV.22, knielen en hurken, een uitzondering moet worden gemaakt op de regel dat een toelichting steeds betrekking moet hebben op een gebied boven de gescoorde waarde. Dit zou evenwel een tijdelijk probleem zijn, daar nog onderzoek gaande is of en zo ja hoe dit beoordelingspunt beter kan worden ingericht.

Op zich kan de Raad begrip opbrengen voor deze uitzonderingen op de regel dat alle relevante beperkingen op de daartoe bestemde plaats op de FML dienen te worden ingevuld en dat geen gebruik wordt gemaakt van in toelichtingen opgenomen (nadere) beperkingen. Ook hier blijft evenwel gelden dat op grond van het geheel van de voorliggende CBBS-gegevens, in samenhang bezien met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportages, voldoende inzichtelijk en toetsbaar dient te zijn of de uiteindelijk als grondslag voor de schatting in aanmerking genomen functies, ook werkelijk geschikt zijn te achten voor de betrokken verzekerde.

Van belang is uiteindelijk steeds of voor de betrokken verzekerde, voor eventuele rechtshulpverleners maar ook voor de rechter, de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voldoende inzichtelijk en toetsbaar is. De Raad sluit niet op voorhand uit dat in voorkomende gevallen waarin gebruik is gemaakt van een (k)FML met in toelichtingen verborgen beperkingen, (toch) aan deze eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid kan zijn voldaan. Ter aanvullende motivering zal dan evenwel een afzonderlijk overzicht onontbeerlijk zijn van alle zich voordoende in toelichtingen opgenomen beperkingen, voorzien van een toereikende toelichting per belastingonderdeel waarom de betreffende functies toch als passend kunnen worden aangemerkt.

Wat betreft het onderhavige geval, is de Raad van oordeel dat, gelet op aantal en aard van de zich voordoende in toelichtingen verborgen beperkingen, als hiervoor weergegeven, en voorts constaterend dat een overzicht daarvan met toelichting in vorenbedoelde zin ontbreekt, het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, in verband waarmee dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb in rechte geen stand kan houden.

Los van het vorenoverwogene is ter zitting namens het Uwv aangegeven dat voor de komende periode als algemene lijn een werkwijze wordt voorgestaan om, uiterlijk bij gelegenheid van de ontvangst van de kennisgeving voor een zitting, reeds lopende zaken spontaan te bezien op het daarin vóórkomen van in toelichtingen verborgen beperkingen en vervolgens tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op een termijn van 3 weken voor de zitting - zodat de wederpartij nog gelegenheid heeft daarop te reageren - zorg te dragen voor een eventueel noodzakelijk geachte aanvullende motivering in de hiervoor bedoelde zin.

Naast het hiervoor aangegeven motiveringsgebrek, kan het bestreden besluit ook om andere reden niet als rechtens juist worden aanvaard.

In vaste jurisprudentie heeft de Raad blijk gegeven van het oordeel dat van de bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling betrokken functies genoegzaam moet komen vast te staan dat deze ten tijde van belang feitelijk op de arbeidsmarkt voorkomen, dat de belasting ervan de belastbaarheid van de betrokken verzekerde niet overschrijdt en dat de beloning zodanig is dat deze leidt tot de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Als uitvloeisel hiervan wordt volgens eveneens vaste rechtspraak niet aanvaardbaar geacht dat bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling functies in aanmerking worden genomen waarvan de actualiseringsdatum is gelegen na de ter beoordeling voorliggende datum, aangezien anders niet vastgesteld kan worden of aan vorenomschreven vereisten is voldaan.

De Raad stelt vast dat bij de bestreden besluitvorming aan appellant, bij wijze van heropening van zijn uitkering, met ingang van 1 mei 2001 een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, is toegekend. Voor zover bij het Uwv, bij het volgen van de hiervoor uiteengezette benadering van zijn bezwaararbeidsdeskundige Kursten, het uitgangspunt heeft voorgezeten dat de ter beoordeling voorliggende datum niet 1 mei 2001 maar een later gelegen datum is - bepaalde passages in het bestreden besluit alsmede in de door Kursten verstrekte toelichting lijken in die richting te wijzen - moet derhalve worden vastgesteld dat een dergelijk uitgangspunt feitelijk onjuist is.

Voor zover het Uwv, op zich terecht ervan uitgaande dat de ter beoordeling voorliggende datum 1 mei 2001 is, zich op het standpunt stelt dat bij de onderhavige schatting, op grond van zich voordoende bijzondere omstandigheden, niettemin kan worden volstaan met het in aanmerking nemen van functies met een actualiseringsdatum van na die datum, dan volgt de Raad het Uwv daarin evenmin, nu het betrekken van dergelijke functies bij een schatting evident strijdig is met de hiervoor vermelde vereisten waaraan volgens vaste rechtspraak functies dienen te voldoen, en niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die het volgen van de voorgestane afwijkende benadering kunnen rechtvaardigen. Met name vermag de Raad niet in te zien dat de door de bezwaararbeids-deskundige Kursten verstrekte argumentatie op enigerlei wijze toereikend zou kunnen zijn om aan de normaal geldende regels voorbij te gaan.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit ook om andere reden een deugdelijke grondslag ontbeert en in rechte geen stand kan houden.

De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd.

Het namens appellant gedane verzoek om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, nu met hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld nog niet vaststaat dat er schade is geleden. Het ligt in de rede dat het Uwv bij het nemen van een nieuw besluit zich tevens over dit verzoek beraadt.

Wel acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644, - voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 966, - voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.610, - te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133, - vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.