Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
23-02-2007
Zaaknummer
04-5121 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2004:AS7884, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nadere aspecten CBBS. Belang van juiste wijze van invulling Functionele Mogelijkheden Lijst, in verband met in toelichtingen verborgen beperkingen. Eis van inzichtelijkheid en toetsbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5121 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 6 augustus 2004, 03/760

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat te Terneuzen, van verweer gediend.

Appellant heeft bij brief van 19 januari 2005, voorzien van een bijlage, een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2006. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. I.M. de Groot. Betrokkene is in persoon verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij schrijven van 28 september 2006 vragen aan appellant gesteld, welke door deze zijn beantwoord bij brief van 14 november 2006.

Hernieuwd onderzoek ter zitting heeft, ten dele gevoegd met een aantal andere zaken, plaatsgevonden op 12 januari 2007. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door E.J.S. van Daatselaar, beleidsmedewerker en jurist, H.A.M. Hulshof, senior bezwaararbeidsdeskundige, W.C. Otto, verzekeringsarts en beleidsmedewerker en D. Vermeulen, arbeidsdeskundig analist. Betrokkene is wederom in persoon verschenen.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en is in iedere zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene is laatstelijk werkzaam geweest als verkoopster/retoucheuse in een omvang van 20 uur per week. Op 22 januari 2002 heeft zij zich, op dat moment werkloos zijnde en in het genot van een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, ter verkrijging van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bij appellant gemeld met rechter schouderklachten.

Met inachtneming van de uitkomsten van de door zijn verzekeringsarts en arbeidsdeskundige verrichte onderzoeken, heeft appellant bij besluit van 16 januari 2003 geweigerd om betrokkene voor de gevraagde WAO-uitkering in aanmerking te brengen, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 22 januari 2003, minder dan 15% is.

Naar aanleiding van het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 16 januari 2003, heeft de bezwaarverzekeringsarts van appellant een nader onderzoek ingesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij geen medische argumenten gevonden om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts.

Hierop heeft appellant bij besluit van 12 november 2003, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen, gelet op het feit dat de verzekeringsarts van appellant op grond van de anamnese bekend was met de belaste voorgeschiedenis van de linker pols en de linker schouderregio en in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) ook functiebeperkingen van de linker schouder zijn vermeld, het aannemelijk te achten dat de verzekeringsarts op 17 december 2002 ook de functie van de linker schouder van betrokkene heeft onderzocht. Dit houdt, aldus de rechtbank, echter in dat daarmee vast staat dat de verzekeringsarts heeft nagelaten zijn bevindingen en conclusies van het functieonderzoek in zijn rapportage van 17 december 2002 vast te leggen. Het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat uit het ontbreken van gegevens in de rapportage van 17 december 2002 kan worden afgeleid dat de verzekeringsarts tijdens het onderzoek van de linker schouder geen bijzonderheden heeft gevonden, is naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de gegevens ter zake in de FML, onbegrijpelijk.

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat in de rapportage van de verzekeringsarts over de oogfunctie van betrokkene is vermeld dat zij een beperkt onderscheidend vermogen heeft en zij beperkt is voor kleine letters en priegelwerk, zonder dat dit als beperking in de FML is vastgelegd. De FML vermeldt geen beperking voor zien, maar slechts een toelichting waarbij opvalt dat daarin niet is gerefereerd aan de beperking voor kleine letters. Dit betekent volgens de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat de beperkingen op het onderdeel zien op juiste wijze in de FML zijn vermeld.

De schriftelijke vastlegging van de verzekeringsarts vertoont aldus naar de zienswijze van de rechtbank op relevante onderdelen gebreken, terwijl het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts over de bevindingen bij het onderzoek van de linker schouder in tegenspraak is met de vermelding ter zake in de FML van de verzekeringsarts. Ten aanzien van de oogfunctie is niet komen vast te staan dat in de FML is uitgegaan van de juiste beperkingen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest.

Haar hiervoor weergegeven overwegingen hebben de rechtbank tot de conclusie gebracht dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de primaire verzekeringsarts, naast zwaardere beperkingen voor de rechter schouder van betrokkene, uit zorgvuldigheidsoverwegingen ook lichte beperkingen voor de linker schouder heeft vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit verband aangegeven dat ook hij bij onderzoek van betrokkene enige onwennigheid van de linker schouder heeft gevonden, waardoor enige beperking ten aanzien van die schouder zijns inziens verdedigbaar is.

Voorts is als standpunt naar voren gebracht dat er geen aanleiding bestaat om de FML ten aanzien van het item zien te wijzigen. In de FML is, aldus appellant, vermeld dat er een probleem is met betrekking tot fijn priegelwerk. Gegeven de goede visus van betrokkene bestaat er volgens appellant geen aanleiding om de FML op dit punt anders in te vullen.

Niet moet volgens appellant uit het oog worden verloren dat de rapportage van de verzekeringsarts en de FML één geheel vormen en dat aldus de FML niet los kan worden gezien van de beschouwingen van de verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige houdt bij het selecteren van functies rekening met zowel de beschouwingen van de verzekeringsarts als met de FML, ook met hetgeen in die FML bij een bepaald belastbaarheidsaspect is vermeld als toelichting.

In zijn in rubriek I vermelde brief van 28 september 2006 heeft de Raad onder meer met betrekking tot de wijze van invulling van de FML enkele vragen aan appellant gesteld. Deze vragen hebben in het bijzonder betrekking op de werkwijze waarbij de verzekeringsarts bij een belastbaarheidsaspect in de FML invult dat de betrokken verzekerde normaal belastbaar is, terwijl uit de bij het betreffende aspect gegeven toelichting naar voren komt dat er toch zekere beperkingen van toepassing worden geacht, in de vorm van het voldaan moeten zijn aan bepaalde aanvullende voorwaarden dan wel anderszins. Ook komt voor dat weliswaar wordt aangegeven dat een bepaalde beperking van toepassing is, maar uit de verstrekte toelichting evenwel blijkt dat betrokkene feitelijk zwaarder beperkt wordt geacht dan in overeenstemming is met de ingevulde score.

In zijn eveneens in rubriek I vermelde antwoordbrief van 14 november 2006 - bij welke brief als bijlagen waren gevoegd de gebruikershandleiding CBBS, bestemd voor verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen alsmede de naderhand tot stand gekomen als aanvulling daarop dienende werkinstructie CBBS - heeft appellant met betrekking tot vorenomschreven kwestie onder meer het volgende naar voren gebracht:

"Uw vragen over de wijze waarop in onderhavige kwestie de FML is ingevuld, hebben betrekking op de wijze waarop gebruik gemaakt wordt door de (bezwaar)verzekeringsarts van de mogelijkheid om bij de beoordelingspunten op de FML een toelichting te geven. Met behulp van een toelichting kan de (bezwaar)verzekeringsarts nader aanduiden waar ongeveer de grens van betrokkenes mogelijkheden liggen of nadere voorwaarden stellen.

Alvorens op de wijze van invullen van de onderhavige FML in te gaan willen wij een kort historisch overzicht geven van het gebruik van de FML binnen het CBBS.

De eerste fase is die vanaf de introductie van het CBBS medio 2001. Deze is vergezeld gegaan met het verschijnen van de "Gebruikershandleiding CBBS" waarvan u hierbij een afschrift ontvangt. De wijze van invullen van de FML was in die fase niet wezenlijk anders dan daarvoor bij het FIS het geval was. De verzekeringsarts scoort op de gestandaardiseerde niveaus zoals die op de FML staan vermeld en geeft een toelichting voor zover de standaardwaarden en formuleringen onvoldoende tegemoet komen aan de nuance van de oordeelsvorming. Een toelichting zal in het algemeen een nadere aanduiding óf precisering van het niveau van de mogelijkheden van de cliënt aangeven of een nuancering zijn ten opzichte van de in de FML opgenomen standaardformuleringen. Voor sommige beoordelingspunten geldt dat een toelichting verplicht is. Dat is bij die punten waar staat: "…, namelijk...." Bij die punten is dus niet sprake van een standaardformulering, maar moet de verzekeringsarts de mogelijkheden en beperkingen van cliënt zelf omschrijven.

Voor de arbeidsdeskundige geldt dat hij bij de professionele eindselectie altijd met het geheel van mogelijkheden en beperkingen rekening moet houden, dat wil zeggen met alles wat er in de verzekeringsgeneeskundige rapportage en op de FML staat vermeld, inclusief alle daarop voorkomende toelichtingen.

Deze manier van werken is in zijn essentie in de loop der jaren niet gewijzigd. De tweede fase is die vanaf het verschijnen van de Werkinstructie CBBS (kortweg: werkinstructie). Er bleken na de introductie van het CBBS nog vragen te liggen ten aanzien van gebruik en interpretatie van het systeem. Dit vormde enerzijds aanleiding tot het doorvoeren van verbeteringen, anderzijds tot het opstellen van aanvullende instructies. Wij verwijzen hiervoor verder naar hoofdstuk 1, de Inleiding op de werkinstructie. Van belang voor de onderhavige casus is dat vanaf juli 2002 het eerste deel van de werkinstructie (de hoofdstukken 2 tot en met 5) is geïmplementeerd, vanaf januari 2003 het tweede deel (de hoofdstukken 6 tot en met 10). Niet van belang voor deze casus, maar volledigheidshalve, merken wij op dat per oktober 2004 een elfde hoofdstuk is toegevoegd. De wijzigingen in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten waren aanleiding tot aanpassing van de rubriek werktijden in het CBBS (VI), wat tot gevolg had dat ook de instructies moesten worden aangepast. Er is toen tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om met name de beoordelingspunten VI.2 en VI.3 meer in overeenstemming te brengen met de inrichting van de beoordelingspunten in de overige rubrieken. De derde fase is die vanaf het aanbrengen van de wijzigingen naar aanleiding van uw uitspraken van 9 november 2004 over CBBS (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJ nummers AR4716 t/m AR47919, AR4721 en AR4722). In dezelfde periode - vanaf begin 2005 - hebben alle gebruikers van het CBBS een (verplichte, driedaagse) nascholing gevolgd met als centraal thema de gezamenlijke oordeelsvorming door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige en het optimaal gebruik van het instrument CBBS daartoe. Een belangrijk punt van aandacht daarbij is geweest de wijze van invullen van de FML door de verzekeringsarts, inclusief de inhoud en het gebruik van toelichtingen. Het ging hier om een zogeheten verdiepingsslag, de werkinstructie CBBS is bijvoorbeeld niet veranderd.

Als de mogelijkheden van de cliënt tussen twee (standaard)waarden liggen geldt voor wat betreft het invullen van de FML ten aanzien van de rubrieken I tot en met V nog steeds wat in de werkinstructie CBBS, hoofdstuk 10, staat vermeld. Een toelichting moet dus betrekking hebben op de mogelijkheden boven de aangegeven waarde. Met andere woorden, er mag niet worden ingevuld: "Normaal, kan ongeveer 15 kg tillen of dragen" met een toelichting "niet meer dan 12 kg". In dit voorbeeld moet worden ingevuld: "Licht beperkt, kan ongeveer 10 kg tillen of dragen" met een toelichting "niet meer dan

12 kg". Dit is in de praktijk vooral aan de orde in de rubrieken IV Dynamische handelingen en V Statische houdingen van de FML, omdat daar de meeste beoordelingspunten voorkomen die een gradering kennen."

en

"Ten aanzien van toelichtingen bij normaalwaarden geldt een aparte instructie. Ook hier geldt dat de verzekeringsarts geen toelichting behoort te geven die erop duidt dat de mogelijkheden van cliënt zijn beperkt tot een niveau dat ligt onder de betreffende normaalwaarde."

en

"Uw Raad vraagt of in CBBS in huidige vorm, wanneer er sprake is van beperkingen die niet als beperkingen op de FML zijn ingevuld, maar deze worden opgenomen in een toelichting, dit tot gevolg kan hebben dat die beperkingen bij de geautomatiseerde functieselectie mogelijk niet door het systeem als beperking zullen worden herkend en aldus bij die selectie ten onrechte buiten beeld zullen blijven. U vraagt of het onder die omstandigheden kan gebeuren dat er geen signalering ("M") verschijnt waar deze wel is aangewezen, omdat de belastbaarheid in de functie de functionele mogelijkheden van betrokkene mogelijk te boven gaat.

Het antwoord hierop luidt dat inderdaad niet bij elke toelichting een signalering verschijnt, dit verschilt namelijk per beoordelingspunt van de FML. Voor een goed begrip van deze problematiek is noodzakelijk om in detail op de recente wijzigingen in CBBS in te gaan. In de periode van 28 april 2005 tot 8 oktober 2005 is een aantal wijzigingen doorgevoerd in CBBS naar aanleiding van de uitspraken van 9 november 2004 van uw Raad over CBBS. Vóór 28 april 2005 leidde een toelichting op zich niet tot een signalering. Bij de gefaseerde invoering van de wijzigingen aan CBBS is er voor gekozen om eerst de drie hoofdpunten uit de uitspraken van 9 november 2004 aan te passen, waaronder het op print zichtbaar maken van alle signaleringen in CBBS. Daarbij heeft aanvankelijk ook een uitbreiding van het aantal signaleringen plaatsgevonden door aan elke toelichting op de FML het gevolg te verbinden dat deze door het systeem aan de arbeidsdeskundige zouden worden gesignaleerd. Vóór 28 april 2005 was dit niet het geval. Bij de beschouwing van de uitspraken van uw Raad en de daaruit voortvloeiende aanpassingen uit CBBS, is dit als een verdere verbetering van het systeem bij het zichtbaar maken van de signaleringen meegenomen. Vanaf 28 april 2005 leidde elke toelichting tot een signalering, ook als er sprake was van een waarde welke feitelijk niet werd overschreden. Dit werd bij nader inzien als ongewenst ervaren omdat dit leidde tot een groot aantal irrelevante signaleringen. Daarom is op 8 oktober 2005 deze aanpassing gedeeltelijk teruggedraaid. Hieronder gaan we in detail op deze wijziging in.

CBBS-release 8 oktober 2005

Bij deze release van 8 oktober 2005 (welke release diende als sluitstuk van de aanpassingen naar aanleiding van de meergenoemde uitspraken van 9 november 2004) is CBBS zodanig aangepast dat bij een aantal matchende punten (beoordelingspunten waarbij de op de FML aangegeven waarden automatisch met waarden in de functiebelasting worden vergeleken) een toelichting van de VA niet langer leidt tot een signalering, zolang de aangegeven waarde niet wordt overschreden.

Het betreft de volgende beoordelingspunten op de FML:

1.9.1, 2.8, 2.9, 2.12.4, 2.12.5, 3.1, 3.2, 3.6, 4.3.1 t/m 4.3.8, 4.5 t/m 4.21, 5.1 t/m 5.8 en 6.1 t/m 6.3.

Voor de bovengenoemde punten is de programmatuur zo aangepast dat indien er op grond van de matching geen signalering plaats vindt, het geven van de toelichting door de verzekeringsarts bij de betreffende beoordelingspunten ook geen signalering tot gevolg heeft. De algemene regel is dat de matching plaats heeft op een waarde. Bij het optreden van een belasting gelijk of kleiner dan de toegestane belasting van de cliënt is de gegeven toelichting niet relevant. Immers volgens de instructie aan de verzekeringsartsen moet de toelichting gaan over een gebied/ waarde boven de aangegeven waarde (met uitzondering van het beoordelingspunt 4.22 'Knielen of hurken).

Met de release van 8 oktober 2005 is gerealiseerd dat op de aangegeven matchende punten, het systeem pas gaat signaleren dat er mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene, als de aangegeven waarde wordt overschreden - zoals voor 28 april 2005 ook het geval was.

Uitgaande van het voorbeeld onder "Invulling FML" zou een signalering op basis van de toelichting van de verzekeringsarts bij een functie waarin tillen tot 5 kg voorkomt geen betekenis hebben voor de nadere beoordeling door de arbeidsdeskundige.

Vanaf 8 oktober 2005 wordt er door CBBS alleen een signalering afgegeven als de aangegeven waarde (bijvoorbeeld 10kg) wordt overschreden. De arbeidsdeskundige kan dan aan de hand van de toelichting beoordelen of de functie blijft binnen de grenzen van de mogelijkheden van betrokkene.

Voor alle duidelijkheid willen wij benadrukken dat voor alle hiervoor niet opgesomde punten op de FML dus geldt dat een toelichting wel leidt tot een signalering."

Op grond van de hiervoor weergegeven passages uit de brief van het Uwv alsmede gelet op het verhandelde ter zitting, stelt de Raad in de eerste plaats vast dat van de zijde van het Uwv (inmiddels) wordt erkend dat een manier van invullen van de (k)FML waarbij gebruik wordt gemaakt van in toelichtingen verborgen beperkingen bezwaren ontmoet - als hierna nog nader uiteengezet - en dat op grond van de huidige inzichten van het Uwv, welke ook hun beslag hebben gekregen in aangepaste werkinstructies, een dergelijke werkwijze door de verzekeringsartsen - dan ook - niet langer wordt toegepast.

De Raad acht dit juist. In zijn uitspraken van 12 oktober 2006, zie LJN: AY9971, inzake de door het Uwv naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, zie LJN: AR4717, aan het CBBS aangebrachte aanpassingen, heeft de Raad overwogen het genoegzaam aannemelijk te achten dat het aangepaste systeem, zowel bij de matchende als bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde - welke zich doorgaans zullen kunnen voordoen indien hij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde - alle onderkent en signaleert, waarmee wordt bereikt dat voor alle betrokkenen - de verzekerde zelf, diens eventuele rechtshulpverlener alsmede de rechter - op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting, onder omstandigheden als resultaat van voorafgaand overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts, noodzakelijk is ter onderbouwing van de passendheid van de betreffende functies.

In zijn uitspraken van 12 oktober 2006 is evenwel tevens overwogen dat van de zijde van het Uwv is benadrukt - en de Raad heeft zich daarbij aangesloten - dat voorwaarde daartoe wel is dat de verzekeringsarts de (k)FML op juiste wijze invult en daarbij in het bijzonder erop toeziet dat een beperking ook daadwerkelijk als een beperking wordt opgenomen en niet wordt verstopt in een toelichting bij een overigens als normaalwaarde aangegeven score, daar anders het systeem die beperking bij de geautomatiseerde vergelijking niet als zodanig herkent. In zijn brief van 14 november 2006 als ook ter zitting heeft het Uwv bevestigd dat het onjuist invullen van de (k)FML tot ongewenste gevolgen kan leiden.

Een wijze van invulling van de (k)FML waarbij niet alle door de verzekeringsarts van toepassing geachte beperkingen ook daadwerkelijk als een beperking worden ingevuld, maar worden opgenomen in een toelichting - het hiervoor vermelde voorbeeld van het aspect tillen en dragen vormt hiervan naar het oordeel van de Raad een duidelijk voorbeeld - kan immers met zich brengen dat die beperkingen bij de functieselectie door het systeem ten onrechte buiten beeld blijven. Dat kan en zal doorgaans tot gevolg hebben dat in het - thans geheten - Resultaat Functiebeoordeling geen gegevens worden getoond met betrekking tot de belasting van een functie op het betreffende onderdeel of de betreffende onderdelen en dat aldus niet controleerbaar is of mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van de verzekerde op het betreffende onderdeel.

In een dergelijk geval bestaat aldus het risico dat de motivering van de arbeidsongeschikt- heidsbeoordeling aan de hand van het eindresultaat functieselectie niet volstaat en dat een schattingsbesluit dat enkel op zodanige motivering is gegrond wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in rechte geen stand zal kunnen houden.

Of in een voorliggend geval die conclusie dient te worden getrokken zal, naast andere zich concreet voordoende feiten en omstandigheden, afhangen van aantal en aard van de verborgen beperkingen, en het antwoord op de vraag of geen beperking dan wel een minder ernstige beperking is aangegeven.

De Raad wil in dit verband nog wel het volgende opmerken. Van de zijde van het Uwv is benadrukt, en zulks is ook in de eerder genoemde werkinstructie CBBS opgenomen, dat het CBBS, evenals overigens zijn voorganger het FIS, niet goed is afgestemd op bepaalde beperkingen, waaronder beperkingen als gevolg van (functionele) eenarmigheid, eenbenigheid, rolstoelafhankelijkheid, blindheid en doofheid. In gevallen waarin dit aan de orde is, kan niet onverkort worden vastgehouden aan het uitgangspunt om alle bij de verzekerde vastgestelde beperkingen op de daartoe bestemde plaats in de (k)FML op te nemen. Teneinde te komen tot een selectie van een voldoende aantal potentieel geschikte functies, wordt dan gebruik gemaakt van een zogeheten functionele invulling van de (k)FML. De arbeidsdeskundige zal in dergelijke gevallen, in samenspraak met de verzekeringsarts, de aan de hand van die methode door het systeem geselecteerde functies - die selectie zal als gevolg van de evenbedoelde functionele invulling van de (k)FML veelal te ruim blijken te zijn - “handmatig” nader dienen te beoordelen op daadwerkelijke passendheid.

Daarnaast is erop gewezen dat bij het belastbaarheidsaspect IV.22, knielen en hurken, een uitzondering moet worden gemaakt op de regel dat een toelichting steeds betrekking moet hebben op een gebied boven de gescoorde waarde. Dit zou evenwel een tijdelijk probleem zijn, daar nog onderzoek gaande is of en zo ja hoe dit beoordelingspunt beter kan worden ingericht.

Op zich kan de Raad begrip opbrengen voor deze uitzonderingen op de regel dat alle relevante beperkingen op de daartoe bestemde plaats op de FML dienen te worden ingevuld en dat geen gebruik wordt gemaakt van in toelichtingen opgenomen (nadere) beperkingen. Ook hier blijft evenwel gelden dat op grond van het geheel van de voorliggende CBBS-gegevens, in samenhang bezien met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportages, voldoende inzichtelijk en toetsbaar dient te zijn of de uiteindelijk als grondslag voor de schatting in aanmerking genomen functies, ook werkelijk geschikt zijn te achten voor de betrokken verzekerde.

Van belang is uiteindelijk steeds of voor de betrokken verzekerde, voor eventuele rechtshulpverleners maar ook voor de rechter, de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voldoende inzichtelijk en toetsbaar is. De Raad sluit niet op voorhand uit dat in voorkomende gevallen waarin gebruik is gemaakt van een (k)FML met in toelichtingen verborgen beperkingen, (toch) aan deze eisen van inzichtelijkheid en toetsbaarheid kan zijn voldaan. Ter aanvullende motivering zal dan evenwel een afzonderlijk overzicht onontbeerlijk zijn van alle zich voordoende in toelichtingen opgenomen beperkingen, voorzien van een toereikende toelichting per belastingonderdeel waarom de betreffende functies toch als passend kunnen worden aangemerkt.

Los van het vorenoverwogene is ter zitting namens het Uwv aangegeven dat voor oude gevallen in de komende periode als algemene lijn een werkwijze wordt voorgestaan om, uiterlijk bij gelegenheid van de ontvangst van de kennisgeving voor een zitting, reeds lopende zaken spontaan te bezien op het daarin vóórkomen van in toelichtingen verborgen beperkingen en vervolgens tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op een termijn van 3 weken voor de zitting - zodat de wederpartij nog gelegenheid heeft daarop te reageren - zorg te dragen voor een eventueel noodzakelijk geachte aanvullende motivering in de hiervoor bedoelde zin.

Wat betreft het onderhavige geval, overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij geen aanknopingspunten heeft om de door de verzekeringsartsen van appellant ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten. In het bijzonder geldt dit ook met betrekking tot het door de rechtbank in haar oordeelsvorming betrokken aspect inzake de beperkingen van betrokkene ten aanzien van haar linker schouder.

De Raad vermag niet in te zien dat de enkele omstandigheid dat de primaire verzekeringsarts van appellant, kennelijk juist uit een oogpunt van zorgvuldigheid en omdat de betreffende klachten van betrokkene plausibel werden geacht, naast - zwaardere - beperkingen ten aanzien van de rechter schouder, ook bepaalde - lichtere - beperkingen ten aanzien van de linker schouder in de FML heeft opgenomen, terwijl in zijn rapportage van 17 december 2002 geen bevindingen en conclusies van een functieonderzoek van de linker schouder worden vermeld, zou meebrengen dat het onderzoek op dit punt onvoldoende zorgvuldig is geweest, zoals de rechtbank heeft geoordeeld. De Raad heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat ook de bezwaarverzekeringsarts, die zich met de bevindingen en conclusies van de primaire verzekeringsarts heeft kunnen verenigen, betrokkene heeft onderzocht en daarbij expliciet aandacht heeft besteed aan de bewegelijkheid van het linker schoudergewricht.

De Raad overweegt voorts, zulks mede naar aanleiding van hetgeen van de zijde van betrokkene bij verweerschrift is aangevoerd, dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin, om betrokkene te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen, daarbij inbegrepen de beperkingen betreffende haar linker schouder en linker pols, in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens bieden voor die opvatting van betrokkene geen steun.

Tevens is voor de Raad, gelet in het bijzonder op de in rubriek I vermelde brief van appellant van 19 januari 2005 en de daarbij als bijlage gevoegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 december 2004 alsmede de brief van appellant van 14 november 2006, in voldoende mate aannemelijk geworden dat de arbeidsdeskundige bij het selecteren van voor betrokkene geschikt te achten functies alle relevante beperkingen van betrokkene, zoals deze door de verzekeringsarts zijn vastgesteld, in ogenschouw heeft genomen. In het bijzonder geldt dit ook voor de in de toelichting bij het belastbaarheidsaspect zien beschreven beperkingen, bestaande uit het moeite hebben met fijn priegelwerk en het lezen van kleine letters. De Raad kan zich ook stellen achter de zienswijze van appellant dat bij de selectie van functies voldoende aandacht is besteed aan de verschillen in belastbaarheid van betrokkene tussen haar linker- en rechter lichaamszijde.

De Raad is van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door appellant is aangenomen dat de functies die uiteindelijk als schattingsgrondslag resteren, in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van betrokkene te liggen.

Nu het bestreden besluit evenwel eerst in de fase van het hoger beroep van een als toereikend aan te merken onderbouwing is voorzien, bestaat er aanleiding om de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is vernietigd, te bevestigen, zij het met de bepaling dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand en op € 80,28 voor reiskosten.

III. BESLISING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 402,28, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.