Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
22-02-2007
Zaaknummer
04-3925 WAO + 05-2251 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

I. WAO-uitkering. Anticumulatie gedurende 3 jaar. Intrekking. Fiscale keuzes. Uitkering verzekering. II. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3925 WAO en 05/2251 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2004, 02/5055

en tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2005, 04/95,

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.R.J. Sloothaak, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 12 december 2006. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1942, ontving sedert 1977 uitkeringen in het kader van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sinds 1 april 1991 exploiteerde appellante een snackkiosk. In verband daarmee is haar mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd gebleven, maar zijn die uitkeringen per 1 augustus 1993, onder toepassing van artikel 33 van de AAW en 44 van de WAO uitbetaald als ware die arbeidsongeschiktheid 65 tot 80%.

Eerst in 2002 heeft het Uwv de beschikking gekregen over de jaarcijfers van het bedrijf van appellante vanaf 1997. Gelet op de inkomsten die appellante blijkens die jaarcijfers uit haar bedrijf verwierf heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante opnieuw vastgesteld. Dat heeft geleid tot de volgende besluiten:

1. besluit van 27 februari 2002, waarbij onder toepassing van artikel 44 van de WAO per 1 januari 1997 de uitkering wordt uitbetaald als bedroeg de arbeidsongeschiktheid van appellante 45 tot 55%;

2. besluit van 28 februari 2002, waarbij onder toepassing van artikel 44 van de WAO per 1 januari 1998 de uitkering wordt uitbetaald als bedroeg de arbeidsongeschiktheid van appellante 15 tot 25%;

3. besluit van 1 maart 2002, waarbij onder toepassing van artikel 44 van de WAO per 1 januari 1999 de uitkering wordt uitbetaald als bedroeg de arbeidsongeschiktheid van appellante 25 tot 35%;

4. besluit van 2 maart 2002, waarbij de WAO-uitkering per 1 januari 2000 is herzien naar de klasse van 25 tot 35% en

5. besluit van 21 maart 2002, waarbij van appellante € 24.152,08 bruto is teruggevorderd aan hetgeen haar over de periode van 1 januari 1997 tot 28 februari 2002 onverschuldigd aan WAO-uitkeringen is betaald.

Appellante heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 10 oktober 2002 heeft het Uwv de besluiten van

27 februari 2002 en 21 maart 2002 ingetrokken, het bezwaar tegen de besluiten van

28 februari 2002 en 1 maart 2002 ongegrond verklaard en het besluit van 2 maart 2002 herzien. Het samenstel van de besluitvorming bij het bestreden besluit leidde er, inhoudelijk bezien, toe dat:

1. per 1 januari 1998 de WAO-uitkering van appellante, onder toepassing van artikel 44, van de WAO, wordt betaald als bedroeg de arbeidsongeschiktheid van appellante 15 tot 25%;

2. per 1 januari 1999 de WAO-uitkering van appellante, onder toepassing van artikel 44, van de WAO wordt betaald als bedroeg de arbeidsongeschiktheid van appellante 25 tot 35%;

3. per 1 januari 2000 de WAO-uitkering van appellante, onder toepassing van artikel 44 van de WAO wordt betaald als bedroeg de arbeidsongeschiktheid 25 tot 35% en

4. per 1 januari 2001 de WAO-uitkering wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Ten aanzien van de terugvordering heeft het Uwv bij het bestreden besluit aangegeven dat die beslissing onjuist is en dat een nieuw terugvorderingsbesluit zal worden genomen, waarbij tevens zal worden bezien of er wellicht sprake is van een dringende reden op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van de terugvordering kan worden afgezien.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak van 8 juni 2004 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat de loonkundige schatting van het arbeidsongeschiktheidspercentage juist is. De rechtbank heeft verder overwogen dat er geen sprake is van door het Uwv opgewekte, in rechte te honoreren verwachtingen om reden dat het Uwv de jaarcijfers over 1997 tot en met 2000 niet eerder had opgevraagd. De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat het besluit met betrekking tot de terugvordering buiten de omvang van het geding valt.

Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld, welk beroep bij de Raad is geregistreerd onder nummer 04/3925.

Namens appellante is onder meer gesteld dat de jaarcijfers niet zodanig waren dat zij spontaan herziening van de uitkering had moeten vragen. Voorts stelt zij dat zij elk jaar heeft gemeld. Bovendien wijst appellante op de onzorgvuldige behandeling van haar dossier.

Op 1 april 2003 heeft het Uwv van appellante € 22.914,96 teruggevorderd. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt dat op 28 november 2003 ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 7 maart 2005 ongegrond verklaard en heeft daarbij overwogen dat er geen dringende reden zijn die voor het Uwv de aanleiding zouden moeten zijn om van de terugvordering af te zien of deze te matigen. Appellante heeft daartegen hoger beroep ingesteld, welk beroep bij de Raad is geregistreerd onder nummer 05/2251.

In hoger beroep is namens appellante betoogd dat er wel sprake is van dergelijke dringende redenen. Daartoe wijst appellante op de slechte financiële positie van het bedrijf en op het feit dat appellante door haar slechte gezondheid inmiddels is genoodzaakt extra arbeidskrachten aan te nemen.

De Raad overweegt allereerst dat de rechtbank met haar oordeel in haar uitspraak van

8 juni 2004 dat het besluit met betrekking tot de terugvordering buiten de omvang van het geding valt, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De heroverweging naar aanleiding van een bezwaar brengt immers mee dat volledig wordt beslist en dat, in een geval als het onderhavige, waar naar aanleiding van die heroverweging is aangegeven dat de terugvordering niet in stand kan blijven, tevens een daarvoor in de ogen van het Uwv juist besluit, met – in casu – de juiste teruggevorderde bedragen in de plaats had moeten worden gesteld. Appellante heeft daarover in beroep dan ook terecht geklaagd.

In vervolg op het in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat nog over de terugvordering moest worden beslist, heeft het Uwv, zoals hiervoor is weergegeven, op 1 april 2003 een besluit genomen waarbij van appellante een bedrag van € 22.914,96 werd teruggevorderd, welk besluit door het Uwv is aangeduid als een primair besluit. Gelet op het voorgaande is echter met dit besluit de heroverweging ten aanzien van de terugvordering afgerond en vormt dit besluit van 1 april 2003 in zoverre een wijziging van het bestreden besluit. Het Uwv had derhalve ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb onverwijld mededeling van dit besluit aan de rechtbank dienen te doen. Aangezien met het nadere besluit van

1 april 2003 niet geheel aan het beroep van appellante werd tegemoetgekomen, had de rechtbank het beroep van appellante, dat was gericht tegen het bestreden besluit als mede gericht tegen dit nadere besluit van

1 april 2003 dienen aan te merken. De rechtbank noch het Uwv hebben dit echter onderkend.

Het Uwv heeft vervolgens, nadat namens appellante bewaar was gemaakt tegen het besluit van 1 april 2003, op

28 november 2003 die bezwaren ongegrond verklaard. Aangezien, gelet op het hiervoorgaande, het besluit van 1 april 2003 onderwerp vormde van een reeds bij de rechtbank ingediend beroep, heeft het Uwv dienaangaand onbevoegdelijk beslist. Ook de rechtbank heeft vervolgens onbevoegdelijk het daartegen ingestelde beroep afzonderlijk beoordeeld. De uitspraak van 7 maart 2005 dient derhalve te worden vernietigd. Daarbij wijst de Raad er nog op dat de beslissing van

28 november 2003 niet gericht was op rechtsgevolg aangezien dit noch een besluit op bezwaar was, noch overigens was gericht op de vaststelling van de rechtspositie van appellante, dan wel op een wijziging, voortzetting of bestendiging daarvan.

Aangezien het Uwv met het besluit van 1 april 2003 alsnog de besluitvorming ten aanzien van de terugvordering heeft voltooid, was het belang van appellante bij een beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit in zoverre weggevallen en had de rechtbank haar bij haar uitspraak van 8 juni 2004 in dat opzicht niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb, diende de rechtbank echter nog immer de grieven van appellante tegen de terugvordering te beoordelen. De rechtbank heeft dat bij de uitspraak van 8 juni 2004 ten onrechte achterwege gelaten. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad de terugvordering thans alsnog bij zijn oordeel over het bestreden besluit betrekken.

De Raad zal thans beoordelen in hoeverre de korting, herziening en terugvordering in rechte in stand kunnen blijven.

Ten aanzien van de toepassing van artikel 44 van de WAO is de Raad, met het Uwv van oordeel dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de hoogte van haar inkomsten van invloed kon zijn op haar WAO-uitkering. Allereerst wijst de Raad er op dat met de WAO een regeling is getroffen waarbij het inkomensverlies door het wegvallen van het vermogen om arbeid te verrichten, ook bij volledige arbeidsongeschiktheid, slechts gedeeltelijk wordt gecompenseerd. Dit brengt mee dat degene die in aanmerking is gebracht voor een WAO-uitkering en die arbeid verricht waarmee inkomsten worden verworven, er steeds op bedacht dient te zijn dat die inkomsten, ook al zijn die slechts gering, ertoe kunnen leiden dat de mate van arbeidsongeschiktheid verandert, en in verband daarmee, dat de hoogte van de WAO-uitkering gewijzigd dient te worden. Daarbij geldt voor diegenen die als zelfstandige een bedrijf voeren dat eerst na verloop van een bepaalde tijd volledige duidelijkheid kan worden verkregen over de hoogte van die inkomsten omdat immers eerst na ommekomst van een boekjaar het netto resultaat van het bedrijf bekend zal zijn. Voor appellante komt daar nog bij dat reeds in 1993, onder toepassing van artikel 44 van de WAO zoals dat destijds luidde, haar inkomsten uit eigen bedrijf werden verrekend met haar WAO-uitkering, hetgeen toen leidde tot een uitbetaling van de uitkering als ware zij 65 tot 80% arbeidsongeschikt. Uit de stukken leidt de Raad af dat sinds die tijd de omzet en de winst min of meer verdubbeld waren zodat appellante er helemaal op bedacht diende te zijn dat de WAO-uitkering niet langer in overeenstemming was met haar verdiensten. Tenslotte is de Raad van oordeel dat het feit dat het positieve bedrijfsresultaat in enig jaar mede werd veroorzaakt door een uitkering van een verzekeringsmaatschappij ter zake van brandschade – wat daar verder ook overigens van zij –, gelet op de door appellante gemaakte fiscale keuze om die uitkering tot de winst te rekenen, niet kan betekenen dat die inkomsten niet zouden mogen meetellen bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante.

De Raad onderschrijft niet de stelling van appellante dat zij zich steeds heeft gehouden aan de op haar rustende verplichting om het Uwv de benodigde informatie te verstrekken. Het is de Raad integendeel uit de stukken gebleken dat appellante het Uwv niet eerder dan in 2002 in het bezit heeft gesteld van de jaarstukken die betrekking hadden op de resultaten van de snackkiosk en dat de in de voorafgaande jaren overhandigde inkomstenformulieren niet of slechts zeer gedeeltelijk overeenstemden met die verdiensten. Dat het Uwv in dat opzicht verplichtingen ten opzichte van appellante heeft geschonden of te kort is geschoten met het verstrekken van inlichtingen aan appellante is de Raad niet gebleken. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat het feit dat het Uwv een aantal jaren ten opzichte van appellante niet heeft gereageerd, niet meebrengt dat daarmee een in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat meebrengt dat het Uwv geen toepassing kan geven aan artikel 44 van de WAO, of de WAO-uitkering niet kan herzien.

Ten aanzien van de korting en de herziening stelt de Raad vast dat appellante geen gegevens heeft aangedragen waaruit volgt dat de door het Uwv gehanteerde bedragen en berekeningen onjuist zijn. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat de door het Uwv vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentages niet onjuist zijn.

Het is de Raad evenmin gebleken dat het terugvorderingsbedrag onjuist is. In de door appellante aangevoerde omstandigheden acht de Raad ten slotte geen reden gelegen die het Uwv zou moeten nopen om de terugvordering te matigen of daarvan af te zien.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen in de kosten die appellante heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep, welke kosten voor de procedure onder nummer 04/3925 worden bepaald op € 644,-- als kosten voor rechtsbijstand in beroep en € 322,-- als kosten van rechtsbijstand in hoger beroep. Ten aanzien van de procedure onder nummer 05/2251 worden deze kosten begroot op € 644,-- als kosten van rechtsbijstand in beroep en € 322,-- als kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In de zaak 04/3925:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de terugvordering;

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk in zoverre dat betrekking heeft op de terugvordering;

Verklaart het beroep, in zoverre dat wordt geacht zich mede te richten tegen het besluit van 1 april 2003 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 131,-- vergoedt;

In de zaak 05/2251:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 134,-- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) S.R. Bagga.