Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9141

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
22-02-2007
Zaaknummer
03-271 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen weigeringsbesluit per fax. Risico van verzending per fax voor rekening verzender. Herhaald verzoek herleving wachtgeld afgewezen. Nieuwe feiten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/271 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 december 2002, 01/4531 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Minister).

Datum uitspraak: 21 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Namens de Minister is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding met registratienummers 03/16, 03/17 en 03/18 WAO, plaatsgevonden op 29 november 2006, waar namens appellant is verschenen mr. De Bie. De Minister heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. H.G.E. Alberti.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, voorheen werkzaam als wachtmeester 1e klasse bij de Rijkspolitie te Water te Amsterdam, is bij besluiten van

5 september 1991 uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt verklaard voor zijn betrekking, voor 35 tot 45% invalide geacht en herplaatsbaar verklaard. Per 1 oktober 1992 is appellant eervol ontslagen in verband waarmee hem wachtgeld is toegekend tot 1 oktober 1997. Bij besluit van 3 november 1997 is appellant per 1 november 1997 een invaliditeits-pensioen toegekend uitgaande van de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Bij besluit van

29 januari 1998 is appellant daarnaast voor de periode van 1 november 1997 tot 26 oktober 2003 een wachtgeld met toeslag toegekend.

Begin 1999 heeft appellant de toenmalige uitkeringsorganisatie Uszo BV (Uszo) verzocht terug te komen van de vaststelling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 5 september 1991. Bij besluit van 2 juni 1999 heeft Uszo appellant met terugwerkende kracht tot 7 januari 1998 80 tot 100% arbeidsongeschikt voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geacht. In verband met de verhoging van de WAO-uitkering is bij besluit van

18 oktober 1999 het wachtgeld per 7 januari 1998 beëindigd. Bij besluit van 14 maart 2000 heeft Uszo het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 juni 1999 gegrond verklaard en hem met terugwerkende kracht tot 1 januari 1996 een WAO-conforme uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% toegekend.

Inmiddels was appellant met ingang van 9 november 1998 tegen betaling werkzaamheden gaan verrichten in het kader van een leer/werktraject bij Maatwerk Amsterdam voor 32 uur per week. Deze werkzaamheden zijn per 9 november 2000 geëindigd. Bij twee besluiten van 27 november 2000 heeft Uszo, onder toepassing van artikel 44 van de WAO, appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering in verband met het uit die werkzaamheden verworven inkomen per 9 november 1998 wordt berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65% en per 9 november 2000 weer naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

Bij faxbericht van 30 november 2000 heeft appellant met een beroep op artikel 13, tweede lid jo artikel 5, tweede lid, van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 Uszo verzocht in verband met de verlaging van zijn WAO-uitkering zijn wachtgeld per 9 november 1998 te doen herleven. Bij besluit van 2 maart 2001 heeft Uszo dit verzoek namens de Minister afgewezen op de grond dat niet de arbeidsongeschiktheidsklasse van appellant is verlaagd, maar dat de hoogte van de bruto uitkering is verminderd aangezien appellant in genoemde periode werkzaamheden heeft verricht.

Bij faxbericht van 1 augustus 2001, waarbij een afschrift van een faxbericht van 4 maart 2001 was gevoegd, heeft appellant Uszo meegedeeld dat hem is gebleken dat het faxbericht van 4 maart 2001, waarbij is verzocht het besluit van 2 maart 2001 te herzien, Uszo nooit heeft bereikt en wederom verzocht het besluit van 2 maart 2001 te herzien. Bij besluit van 16 oktober 2001 is nogmaals negatief beslist op het verzoek van appellant van 30 november 2000. Tegen het besluit van 16 oktober 2001 is namens appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 december 2001 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd en het verhandelde ter zitting overweegt de Raad als volgt.

De Raad stelt vast dat Uszo bij brief van 15 juli 2002 de rechtbank heeft meegedeeld dat een faxbericht van 4 maart 2001 niet door Uszo is ontvangen. De Raad is niet gebleken dat appellant in eerste aanleg dit standpunt heeft bestreden. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant, geconfronteerd met vorenvermelde feiten, aangegeven dat zij niet zonder meer accepteert dat het faxbericht van 4 maart 2001 door Uszo niet is ontvangen en gesteld dat zij wil nagaan of appellant het verzoek van 4 maart 2001 ook aangetekend per post heeft verzonden.

Volgens jurisprudentie van de Raad is het indienen van een bezwaarschrift door middel van een faxbericht op zichzelf aan te merken als een toelaatbare wijze van verzending, maar dienen de aan deze wijze van indiening verbonden risico’s voor rekening van de verzender te komen. Dit betekent dat ingeval de geadresseerde van het faxbericht de ontvangst daarvan geloofwaardig ontkent, de verzender aannemelijk dient te maken dat de geadresseerde het faxbericht wel heeft ontvangen.

Blijkens de tekst van het faxbericht van 1 augustus 2001 heeft appellant aangenomen dat zijn faxbericht van 4 maart 2001 niet bij Uszo is aangekomen. Na kennisneming van de brief van Uszo aan de rechtbank van 15 juli 2002 is appellant niet van dit standpunt teruggekomen. De Raad ziet in hetgeen de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan de geloofwaardigheid van de ontkenning van de ontvangst van het faxbericht door Uszo. De Raad ziet dan ook geen aanleiding appellant alsnog in de gelegenheid te stellen te bewijzen dat het faxbericht van 4 maart 2001 wel door Uszo is ontvangen.

Ook aan het verzoek van de gemachtigde van appellant haar gelegenheid te geven na te gaan of appellant het verzoek om herziening van 4 maart 2001 ook per aangetekende brief heeft ingediend, gaat de Raad voorbij nu het zaaksdossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor de veronderstelling dat appellant op of na 4 maart 2001 zijn verzoek om herziening tevens per aangetekende brief aan Uszo heeft gezonden.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat tegen het besluit van 2 maart 2001 geen bezwaar is gemaakt, waardoor dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Daarvan uitgaande merkt de Raad het verzoek van appellant in het faxbericht van 1 augustus 2001 aan als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar aanleiding van deze herhaalde aanvraag is de zaak opnieuw beoordeeld, hetgeen blijkens het besluit van 16 oktober 2001 niet tot een andere uitkomst heeft geleid. Bij het bestreden besluit heeft de Minister dit standpunt onverminderd gehandhaafd.

De Raad overweegt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan een ter zake ingesteld beroep echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant, evenals bij zijn eerste aanvraag, gesteld dat hij ervan uitgaat dat het wachtgeld weer tot uitkering kan komen nu zijn WAO-uitkering is verlaagd, omdat zijn recht op wachtgeld pas eindigt op 26 oktober 2003. Appellant acht de situatie dat zijn WAO-uitkering met terugwerkende kracht is verhoogd, gevolgd door terugvordering van wachtgeld, en nu weer verlaging van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht met waarschijnlijk een terugvordering van WAO-uitkering en een nabetaling wachtgeld, verwarrend. Appellant is door de gang van zaken met een fikse schuld opgezadeld.

De Raad stelt vast dat appellant in het faxbericht van 1 augustus 2001 ter ondersteuning van zijn verzoek geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die hij niet reeds bij zijn aanvraag van 30 november 2000 had aangevoerd. De herhaalde aanvraag van appellant berust dan ook niet op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandig-heden. Daarvan uitgaande en gelet op hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de Minister niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechts-beginsel.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet in het vorenstaande geen aanleiding de Minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op

21 februari 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.