Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9138

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
22-02-2007
Zaaknummer
04-5690 WAO + 06-5677 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Bij nader besluit hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. Maatmanloon. Middencriterium. Urenvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5690 WAO + 06/5677 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2004, 02/4848 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 20 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E. Kort-Schenk, werkzaam bij de Stichting Univé Rechtshulp te Assen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2006.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.F. de Roy van Zuydewijn. Betrokkene is niet verschenen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Appellant heeft op 19 september 2006 een nieuw besluit genomen op het bezwaar van betrokkene.

Bij brief van 12 oktober 2006 heeft de gemachtigde van betrokkene, P. Bobeldijk, kantoorgenote van mr. Kort-Schenk, meegedeeld dat het besluit van 19 september 2006 geen wijziging brengt in het standpunt van betrokkene en verzocht tevens een oordeel te geven over dit besluit.

Het onderzoek is voortgezet ter zitting van 9 januari 2007, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.F. de Roy van Zuydewijn en waar betrokkene niet is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene is op 20 februari 2001 wegens psychische klachten uitgevallen voor haar werk als administratief medewerkster en reisleidster. In verband hiermee heeft zij appellant verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Nadat medisch en arbeidskundig onderzoek was verricht heeft appellant betrokkene bij besluit van 22 februari 2002 met ingang van 19 februari 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit heeft appellant bij zijn besluit van 27 september 2002 (hierna: bestreden besluit I) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat geen aanleiding bestaat de medische grondslag van het bestreden besluit I onjuist te achten. Zij achtte echter de arbeidskundige grondslag onvoldoende gemotiveerd en heeft om die reden het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit I vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene diende te nemen. De rechtbank heeft voorts bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

In hoger beroep heeft appellant rapportages overgelegd van 18 november 2004 en 19 november 2004 van de arbeidsdeskundige L.C. Gerzon, respectievelijk de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Schipper, waarmee naar zijn mening de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voldoende inzichtelijk is gemaakt. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 12 september 2006 heeft de bezwaararbeidsdeskundige M.A. Oudenaller in zijn rapport van 14 september 2006 de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 19 februari 2002 opnieuw berekend aan de hand van een uurloonvergelijking en met toepassing van het Besluit Uurloonschatting 1999 (BUS 1999). Hij concludeerde dat betrokkene per die datum een loonverlies leed van 65,32%. Dit heeft appellant aanleiding gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar van 19 september 2006, waarbij het bezwaar van betrokkene alsnog gegrond wordt verklaard en haar uitkering per 19 februari 2002 wordt gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

De Raad overweegt als volgt.

Mede naar aanleiding van hetgeen de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad van 9 januari 2007 heeft verklaard omtrent de reikwijdte van het besluit van 19 september 2006 concludeert de Raad dat appellant het bestreden besluit I in feite heeft ingetrokken en vervangen door het besluit van 19 september 2006. De Raad stelt vast dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak en over het bestreden besluit I omdat appellant zelf niet meer achter dit besluit staat. Het hoger beroep van appellant moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu het besluit van 19 september 2006 niet geheel aan het beroep van betrokkene tegemoet komt wordt met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit I mede gericht geacht tegen het besluit van 19 september 2006 (hierna: bestreden besluit II).

Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit II in rechte stand kan houden overweegt de Raad als volgt.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts I.L. Hoornstra in haar rapport van 29 augustus 2002 geaccordeerde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), zoals in de primaire fase van de in geding zijnde besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts C. Sjobbema, geen juiste weergave vormt van de bij betrokkene ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt voorts dat Hoornstra blijkens haar rapportage aanwezig is geweest bij de hoorzitting, een beperkt lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd en bij het beoordelen van de belastbaarheid van betrokkene kennis droeg van de informatie van de huisarts van betrokkene van 10 april 2002 en van het feit dat betrokkene recent een knieoperatie had ondergaan. Hetgeen namens betrokkene met betrekking tot de medische beoordeling is aangevoerd heeft bij de Raad geen twijfel doen rijzen aan de juistheid van de bij betrokkene per de in geding zijnde datum vastgestelde belastbaarheid.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door appellant bij betrokkene aangenomen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat betrokkene de werkzaamheden, behorende bij de door de arbeidsdeskundige Gerzon geselecteerde en aan betrokkene voorgehouden functies, niet zou kunnen verrichten. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de rapportages van Gerzon van 18 november 2004 en van de bezwaararbeidsdeskundige Schipper van 19 november 2004 uitvoerige toelichtingen zijn gegeven op een aantal belastingsaspecten van de geselecteerde functies in relatie tot de FML, die van de zijde van betrokkene niet zijn weersproken en die de Raad, ook in het licht van zijn uitspraken van 9 november 2004 inzake het gebruik van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), voldoende overtuigend zijn voorgekomen.

Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige Oudenaller in zijn rapport van 14 september 2006 het verlies aan verdiencapaciteit van betrokkene per de in geding zijnde datum op juiste wijze vastgesteld op 65,32%. Terecht is daarbij uitgegaan van het door Gerzon in diens rapport van 12 februari 2002 vastgestelde maatmanloon van € 16,06 per uur, van het juiste voor betrokkene geldende arbeidsongeschiktheidscriterium (het zogenaamde middencriterium) en van een uurloonvergelijking met toepassing van het BUS 1999. Ook deze rapportage is van de zijde van betrokkene niet weersproken. De mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene is daarom bij het bestreden besluit II terecht vastgesteld op 65 tot 80%.

De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit II in rechte stand houdt en dat het beroep van betrokkene, voor zover dit geacht wordt mede te zijn gericht tegen dit besluit, ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 19 september 2006 ongegrond;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Gunter.