Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
22-02-2007
Zaaknummer
04-1019 ZW + 04-4624 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld per verschillende data.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1019 ZW, 04/4624 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 13 januari 2004, 02/1859, en van

26 juli 2004, 04/17 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2006.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.C.M. v.d. Pol.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is van 1 oktober 2000 tot 1 april 2001 als doktersassistente voor 16 tot 20 uur per week in dienst geweest bij een huisartsenmaatschap, handelend onder de naam [huisartsenmaatschap]. Zij heeft zich op 3 januari 2001 ziek gemeld. Terzake van dit ziektegeval is appellante op 21 juni 2001 op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts, die haar met ingang van 2 juli 2001 hersteld verklaarde. Een verzekeringsarts die haar op 20 augustus 2001 heeft gezien, heeft dit standpunt mede op grond van informatie, verkregen van de behandelend reumatoloog van appellante, onderschreven, waarna bij besluit van 11 september 2001 is vastgesteld dat appellante met ingang van 2 juli 2001 geen recht meer had op ziekengeld.

Bij besluit van 24 juli 2002 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het primaire besluit van 11 september 2001 ongegrond verklaard.

Op 10 januari 2002 heeft appellante zich met ingang van 12 november 2001 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens psychische klachten opnieuw ziek gemeld. Zij is naar aanleiding hiervan op 5 maart 2002 gezien door een verzekeringsarts. Deze vond dat appellante zodanig herstellende was van haar psychische klachten waarvoor zij in behandeling was bij “de Gelderse Roos” te Arnhem, dat zij per een toekomende datum weer geschikt kon worden geacht voor haar werk. Bij besluit van 8 maart 2002 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 1 mei 2002 geen recht meer had op ziekengeld.

Namens appellante is ook tegen het besluit van 8 maart 2002 bezwaar gemaakt. Ter onderbouwing hiervan is een rapport overgelegd van 31 maart 2003 van psychiater A.M.A. Groot, die tot de conclusie is gekomen dat bij appellante sprake was van een chronische depressie, licht tot matig van ernst waardoor zij op de vrije arbeidsmarkt geen stabiel aanbod zou zijn. Zij zou slechts in staat zijn een beperkt aantal uren in een beschermde werkomgeving passend werk te verrichten. De betrokken bezwaarverzekeringsarts kon zich wel verenigen met de medische bevindingen van psychiater Groot, maar trok daaruit geen andere conclusie dan de primaire verzekeringsarts.

Bij besluit van 1 december 2003 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het primaire besluit van 8 maart 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beroepen tegen beide bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken bezwaarverzekeringsartsen.

Naar aanleiding van een verzoek van de Raad heeft psychiater dr. P. Vervoort als deskundige in samenwerking met dr. E.A.M. Vansummeren, arts-assistente psychiatrie, op 21 juli 2006 een rapport uitgebracht. De deskundige heeft vastgesteld dat appellante op beide in geding zijnde data leed aan een dysthyme stoornis met depressieve kenmerken. Ondanks het ontbreken van heteroanamnestische gegevens kon de deskundige met een behoorlijke mate van zekerheid stellen dat appellante gezien het verloop van de arbeidsrelaties van 2001 en verder ten gevolge van deze stoornis niet in staat was om 16 tot 20 uur per week te werken. De deskundige heeft verder nog de opmerking gemaakt dat de betrouwbaarheid van het onderzoek goed was. In aanmerking genomen dat de bevindingen van psychiater Groot voornoemd overeenstemmen met die van de deskundige, ziet de Raad onvoldoende reden om de conclusie van de deskundige niet te volgen. In het summiere commentaar van de bezwaarverzekeringsarts van

12 september 2006 ziet de Raad daarvoor in elk geval onvoldoende aanleiding.

De Raad is op grond van het vorenstaande van oordeel dat appellante op de beide data in geding ongeschikt moest worden geacht voor haar werk als doktersassistente.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraken en de bestreden besluiten, die daarbij in stand zijn gelaten, moeten worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 136,- aan reiskosten.

De vordering tot vergoeding van de kosten van het uitgebrachte rapport van psychiater A.M.A. Groot van € 900,- en van de door het ziekenhuis Rijnstate verstrekte inlichtingen ten bedrage van € 36,08 komt voor toewijzing in aanmerking.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond en vernietigt deze besluiten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.360,08, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 249,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

GdJ