Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
22-02-2007
Zaaknummer
04-6578 WAO + 05-2193 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Weigering ziekengeld na ziekmelding vanuit WW-uitkeringssituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6578 WAO, 05/2193 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 22 oktober 2004, 2004/284 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van

7 maart 2005, 2004/1173 (hierna: aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld tegen beide aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2007. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 26 januari 2000 arbeidsongeschikt geworden. Zij ontving toen een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Haar laatstelijk verrichte maatgevende arbeid was fulltime taxichauffeur. Nadat zij gedurende 52 weken een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) had ontvangen, heeft het Uwv haar met ingang van 24 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek is het Uwv tot de conclusie gekomen dat appellante in staat moest worden geacht met de haar voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat er geen verlies aan verdienvermogen resteerde en de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Daarop heeft het Uwv bij besluit van 28 augustus 2003 de WAO-uitkering ingetrokken met ingang van 16 oktober 2003. Bij besluit van 20 januari 2004 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 augustus 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich op 29 maart 2004 opnieuw ziek gemeld. Zij ontving toen een WW-uitkering. Op 10 mei 2004 heeft de verzekeringsarts haar weer geschikt geacht voor de gangbare arbeid en hersteld verklaard met ingang van 11 mei 2004. Bij besluit van

12 mei 2004 heeft het Uwv de uitkering van ziekengeld beëindigd. Bij besluit van 25 juni 2004 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 mei 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

WAO-zaak

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat bestreden besluit 1 op een toereikende medische grondslag berust. De bezwaarverzekeringsarts heeft in december 2003 de beoordeling van de primaire verzekeringsarts op volledige en zorgvuldige wijze heroverwogen. In de heroverweging is ingegaan op de bezwaren van appellante, zijn de inlichtingen van de door appellante geconsulteerde artsen betrokken en zijn de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen van de belastbaarheid zoals omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) nagelopen. Op het punt van frequent buigen tijdens het werk heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante meer beperkt geacht en de FML in zoverre bijgesteld. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts bij brief van 18 maart 2004 gemotiveerd heeft uiteengezet om welke redenen het rapport van de klinisch psycholoog prof. dr. M.H.F. van Uden van 9 februari 2004, dat appellante in beroep heeft overgelegd, niet kan leiden tot het aannemen van een verminderde belastbaarheid op psychische gronden. Deze motivering komt de Raad plausibel voor, zodat hij aan het rapport van dr. Van Uden niet het gewicht kan toekennen dat appellante daaraan hecht. Nu appellante haar standpunt dat de belastbaarheid niet juist is ingeschat niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van de schatting overweegt de Raad dat uit de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 januari 2004 en van

4 oktober 2004, in samenhang bezien, blijkt dat van de door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies uiteindelijk een voldoende aantal functies als grondslag voor de schatting resteert, namelijk de parkeercontroleur, de telefonist/receptionist/typist en de samensteller metaalwaren. Daarnaast resteren nog enkele geschikte reservefuncties. In laatstgenoemd rapport heeft de bezwaararbeidsdeskundige zeer uitvoerig per functie en per afzonderlijk onderdeel van de FML toegelicht waarom de functies en de daarmee verbonden belasting in overeenstemming zijn te achten met de belastbaarheid van appellante zoals omschreven in de FML. Gelet op die rapportages is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de appellante voorgehouden en aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor haar geschikt zijn te achten. Ook de arbeidskundige grondslag kan het bestreden besluit dragen. Nu de functie meteropnemer niet aan de schatting ten grondslag is gelegd, laat de Raad in het midden of de met deze functie verbonden belasting van 10 kg tillen gelet op de belastbaarheid van appellante op dit punt van haar valt te vergen. Hetgeen appellante in hoger beroep verder nog heeft aangevoerd tegen de arbeidskundige grondslag van de schatting, kan niet tot een ander oordeel leiden. De Raad volstaat ermee te verwijzen naar genoemde arbeidskundige rapportages.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en dat aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.

ZW-zaak

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank in aangevallen uitspraak 2 en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen grond het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat appellante op 11 mei 2004 niet langer toegenomen arbeidsongeschikt was voor onjuist te houden. Appellante heeft geen medische gegevens over haar gezondheidstoestand ten tijde in geding overgelegd die twijfel zouden oproepen aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante moest dan ook op de datum in geding in staat worden geacht ten minste één van de haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies te vervullen.

Ook aangevallen uitspraak 2 komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C.M. van Laar en O.J.D.M.L. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.J. Janssen.