Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
22-02-2007
Zaaknummer
04-3495 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Reductiefactor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3495 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 mei 2004, 2003/871 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG-Nederland te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2006. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

F. Houtbeckers.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellant was werkzaam als simulator-flight-instructor toen hij op 2 november 2000 uitviel met hart- en rugklachten en nervositeit. Na medisch en arbeidskundig onderzoek kende het Uwv bij besluit van 11 december 2001 appellant met ingang van

1 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsver-zekering (WAO) toe, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Het bezwaar van appellant verklaarde het Uwv bij besluit van 23 mei 2003 (het bestreden besluit) ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd het niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank dat de stukken geen aanleiding geven voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant betwist met name de bevindingen van bezwaar-verzekeringsarts Dijkstra, die volgens appellant louter zijn gebaseerd op subjectieve overwegingen. Volgens appellant dienen aan de conclusies uit het röntgenonderzoek, als zijnde gebaseerd op objectieve bevindingen en gebaseerd op het oordeel van een ter zake deskundige, meer gewicht te worden toegekend. Bij gebrek aan wetenschap heeft appellant voorts de juistheid van de gehanteerde reductiefactor betwist, mede in het perspectief van de gehanteerde bandbreedte.

De Raad overweegt als volgt.

De gewraakte passage in het rapport van Dijkstra van 4 april 2003 heeft betrekking op een discrepantie tussen een röntgenbeschrijving van de wervelkolom in de uitdraai van het patiënteninformatiesysteem van de huisarts van appellant, uitgevoerd op 9 oktober 2001, en een brief van orthopedisch assistent A. Giesberts van 21 februari 2002. Die passage is geen weergave van het eigen handelen van Dijkstra, maar een samenvatting van de beschouwing en de conclusie van bezwaarverzekeringsarts R.P. van Duin, zoals ook bezwaarverzekeringsarts F.A.M. Samuels in zijn reactie op het aanvullend beroepschrift heeft aangegeven. Dijkstra heeft in haar eigen beschouwing en conclusie uiteen gezet waarom zij meer waarde toekent aan de röntgenbeschrijving van

9 oktober 2001 en tevens aandacht geschonken aan MRI opnamen die in september 2002 zijn gemaakt. Dijkstra heeft daarbij aangegeven dat deze onderzoeken weliswaar ruim na de datum in geding zijn verricht, maar dat met name röntgenbevindingen van degeneratieve aard een lange ontstaansgeschiedenis hebben, zodat een deel van deze bevindingen wel kunnen worden beschouwd als relevant voor de beoordeling per einde wachttijd. Vervolgens heeft Dijkstra geconcludeerd dat bij het relateren van de resultaten van de MRI opnamen in september 2002 aan de klinische bevindingen, sprake is van een beeld van milde diffuse degeneratieve afwijkingen over de gehele wervelkolom. Volgens Dijkstra is sprake van aspecifieke lage rugklachten van chronische aard, waarbij zowel wat discogene als arthrogene componenten aanwezig zijn. Dijkstra heeft vervolgens gesteld dat er een aanzienlijke mate van discrepantie is tussen de beleving en de duiding van de klachten door appellant en wat in objectief medische zin is te onderbouwen. Volgens Dijkstra is in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) rekening gehouden met stresserende omstandigheden en zwaardere lichamelijke belastingen, met name ten aanzien van de rug. Dijkstra heeft in de FML een kleine aanpassing op het aspect trillingsbelasting doorgevoerd en geconstateerd dat ook met deze aanpassing alle eerder geselecteerde functies vanuit medisch oogpunt nog steeds passend zijn te achten.

De Raad kan zich, gelet op de hiervoor deels geparafraseerde weergave van het rapport van Dijkstra, volledig vinden in de opmerking van Samuels dat Dijkstra uiterst zorgvuldig in haar afwegingen is, ook bij vergelijkingen van de resultaten van de beeldvormende onderzoeken en de interpretaties van de verschillende onderzoekers. De Raad heeft ook overigens geen grond gevonden voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit, zodat de hierop betrekking hebbende grief niet slaagt. De Raad ziet om deze reden ook geen aanleiding voor het laten onderzoeken van appellant door een onafhankelijk deskundige.

Ten aanzien van de toepassing van de reductiefactor overweegt de Raad het volgende. De omvang van de maatman bedraagt 22,5 uur. De schatting is gebaseerd op functies in drie Sbc-codes. Sbc-code 111170 omvat een functie voor 19,00 uur met 10 arbeidsplaatsen en een functie voor 36 uur met 1 arbeidsplaats. Sbc-code 111180 kent een functie voor

19 uur met 15 arbeidsplaatsen en een functie voor 31 uur met 8 arbeidsplaatsen. Sbc-code 111160 omvat een functie voor 10 uur met 1 arbeidsplaats, een functie voor 20 uur met

4 arbeidsplaatsen en een functie voor 15 uur met 3 arbeidsplaatsen. De functies in Sbc-codes 111170 en 111180 bevatten functies die zich qua uren zowel boven als onder de zogeheten bandbreedte bevinden. In een dergelijke situatie worden ook functies geacht aanwezig te zijn van ongeveer de maatmanomvang, zodat geen reductiefactor behoeft te worden toegepast. De functies in Sbc-code 111160 bevinden zich allemaal onder de bandbreedte, zodat de hoogst mogelijke reductiefactor binnen deze Sbc-code moet worden toegepast. In dit geval is dat 20/22,5 oftewel 0,89. Zoals blijkt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 juli 2006 is bij de berekening van de restverdiencapaciteit met deze reductiefactor gewerkt, zodat ook deze grief niet kan slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) P. van der Wal.

MH