Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9103

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
22-02-2007
Zaaknummer
04-4039 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4039 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 juli 2004, 04/41 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2006. Voor appellant is verschenen mr. M.A.W. Ketelaars (kantoorgenoot van mr. Oey). Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

Het Uwv heeft bij besluit van 12 mei 2003 de eerder aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 2 juni 2003 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

5 december 2003 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij zich niet kan verenigen met het door de aan het Uwv verbonden verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon. Voor zijn stelling dat hij meer beperkingen heeft, beroept appellant zich op een brief van de verzekeringsgeneeskundige P.M.J. Swerts van 15 november 2003. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige in te schakelen, omdat hij zelf niet de financiële middelen heeft om een nieuwe expertise door een deskundige te laten verrichten.

De Raad overweegt als volgt.

Appellant heeft in de bezwaarfase een rapport van Swerts van 6 juli 2003 in geding gebracht. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens zijn rapportage van 8 september 2003 met dit rapport, evenals met de door hem opgevraagde informatie bij de behandelend neuroloog P.H.M. Pop, rekening gehouden. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat naast het bekende zenuwletsel, dat niet erg relevant is voor de belastbaarheid qua lopen, staan, traplopen, tillen e.d., sprake is van een afwijking aan de rug, die een geringe vermindering van de belastbaarheid rechtvaardigt. Swerts gaat volgens de bezwaarverzekeringsarts uit van verkeerde diagnoses. Volgens de bezwaar-verzekeringsarts is er geen sprake van een hernia en kan de door Swerts genoemde artrose niet worden geobjectiveerd. De bezwaarverzekeringsarts acht de door Swerts aangegeven beperkingen om die reden veel te fors. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens in een rapport van 4 december 2003 gereageerd op een reactie van Swerts die is weerge-geven in een brief van de gemachtigde van appellant van 3 december 2003. De Raad acht deze reactie adequaat en stelt verder vast dat uit de brief van Swerts van 15 november 2003, waarvan de inhoud dus al was weergegeven in de brief van de gemachtigde van appellant van 3 december 2003, blijkt dat Swerts zijn eigen inschatting over de beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid nuanceert. Concluderend stelt de Raad vast dat gelet op voorgaande overwegingen geen twijfel bestaat aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Om die reden acht de Raad het niet aangewezen appellant door een onafhankelijk deskundige te laten onderzoeken.

Met inachtneming van de voor hem geldende functionele mogelijkheden moet appellant in staat worden geacht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten. Het mediaanloon in die functies, afgezet tegen het voor appellant geldende maatman-inkomen laat een verlies aan verdiencapaciteit zien van 21,54%, waarmee de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% op goede gronden heeft plaatsgevonden. Het hoger beroep slaagt niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) P. van der Wal.