Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9076

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
27-02-2007
Zaaknummer
05-699 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitstel van behandeling vanwege wisseling gemachtigde? Verzoek terug te komen van intrekking WAO-uitkering. Nieuwe feiten?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/699 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 januari 2005, 04/809 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

app[M.]

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 27 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Mr. F.H. Kuiper, advocaat te Maastricht, heeft als gemachtigde van betrokkene een verweerschrift ingediend.

Op het verweerschrift in hoger beroep heeft appellant bij brief van 21 april 2005 gereageerd.

Bij brief van 21 juni 2006 heeft mr. T. van Harten, advocaat te Amsterdam, zich als opvolgend gemachtigde van betrokkene gesteld.

Nadat de kennisgeving van behandeling van deze zaak onder dagtekening

22 november 2006 aan partijen was toegezonden, heeft mr. Kuiper de Raad bij brief van 9 januari 2007 medegedeeld dat zij onlangs op verzoek van betrokkene de behandeling weer had overgenomen. Zij verzocht om uitstel van behandeling. Dit verzoek is afgewezen.

Mr. F.C. Schirmeister, advocaat te Amsterdam en kantoorgenoot van mr. Van Harten, heeft bij brief van 12 januari 2007 namens mr. Kuiper wederom om uitstel verzocht.

Aan partijen is medegedeeld dat de zaak op het aangekondigde tijdstip zal worden behandeld maar dat in raadkamer zal worden bezien of er aanleiding is het onderzoek te heropenen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. F. de Weger, advocaat te Amsterdam, en door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Ter zitting heeft mr. De Weger het verzoek om uitstel van behandeling herhaald.

II. OVERWEGINGEN

De Raad heeft geen termen aanwezig geacht om het onderzoek in de zaak te heropenen en een nieuw onderzoek ter zitting te gelasten.

Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de kennisgeving van behandeling van de zaak ter zitting van 16 januari 2007 op 22 november 2006 aan de toenmalige gemachtigde is toegezonden. Uit de brief van 12 januari 2007 van mr. Schirmeister en de bijlage blijkt dat een wisseling van gemachtigde op 4 januari 2007 op verzoek van betrokkene heeft plaatsgevonden. Gesteld noch gebleken is dat er daarbij sprake is geweest van een overmachtsituatie. Nu betrokkene vanaf eind november 2006 bekend was met het tijdstip van behandeling van de zaak had het in rede gelegen die wisseling van gemachtigde op een zodanig tijdstip te laten plaatsvinden dat de nieuwe gemachtigde zich tijdig had kunnen inwerken.

Nu het verlenen van uitstel van behandeling, gelet op het tijdstip waarop het verzoek is gedaan, met zich zou brengen dat daardoor ook de behandeling van andere bij de Raad aanhangige zaken zou worden vertraagd, heeft de Raad besloten aan het verzoek niet te voldoen.

Aan de aangevallen uitspraak, waarin betrokkene "eiser" en appellant "verweerder" wordt genoemd, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser, geboren [in] 1964, is na twee bedrijfsongevallen op 6 december 1995 en op 22 augustus 1996 ongeschikt geworden tot het verrichten van zijn arbeid als magazijnmedewerker en hem zijn ter zake van deze arbeidsongeschiktheid met ingang van 2 januari 1997 uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 5 februari 1997 zijn deze uitkeringen met ingang van 5 april 1997 ingetrokken omdat eiser nog in staat werd geacht om met passende werkzaamheden een zodanig inkomen te verdienen dat hij niet meer arbeidsongeschikt in de zin van deze wetten werd geacht. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 3 juli 1997 ongegrond verklaard.

Eiser heeft zich vervolgens per 14 april 1997 vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld. Bij besluit van 30 mei 1997 heeft verweerder aan eiser meegedeeld hem met ingang van 14 april 1997 geen ziekengeld toe te kennen.

Bij besluit van 3 juni 1997 heeft verweerder diens verzoek om heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen afgewezen. Dit besluit is bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 september 1999 bevestigd.

Eiser heeft zich daarna per 13 april 2000 vanuit de WW ziek gemeld. Bij besluit van

28 september 2000 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij op en na

29 september 2000 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt was voor zijn arbeid en dat hij daarom met ingang van 29 september 2000 geen recht (meer) heeft op ziekengeld. Dit besluit is inmiddels bij uitspraak van 14 mei 2001 door deze rechtbank bevestigd.

Op 3 oktober 2002 heeft eiser verzocht om herziening van het besluit van

28 september 2000. Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. Verweerder heeft daarbij besloten om niet terug te komen op het besluit van

28 september 2000. Dit besluit van 22 oktober 2002 is bij uitspraak van deze rechtbank op 13 november 2003 bevestigd.

Op 12 december 2003 heeft eiser verweerder telefonisch verzocht om een nieuwe beoordeling in het kader van de WAO op te starten.

Bij brief van 19 december 2003 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat geen aanleiding wordt gezien om een nieuwe beoordeling op te starten, nu de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser diverse malen juridisch is bekrachtigd.

Tegen deze brief heeft de gemachtigde van eiser bij schrijven van 28 januari 2004, aangevuld bij schrijven van 26 maart 2004, bezwaar gemaakt.

Bij het bezwaarschrift heeft eiser nog informatie overgelegd van revalidatiearts

H.F.M. Pernot en revalidatiearts W.G.M. Bakx en heeft eiser voorts een rapport van verzekeringsarts H.A. van der Most, werkzaam bij Kliq Venlo en een advies van de indicatiecommissie van het Werkvoorzieningschap, Weert e.o. overgelegd.

Bij bestreden besluit van 25 mei 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder overweegt hierbij dat de brief van 19 december 2003 is aangemerkt als een beslissing en dat het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, dat er geen sprake is van dusdanig nieuwe feiten en omstandigheden dat het niet terugkomen op eerder genomen beslissingen als onjuist moet worden gezien, gevolgd wordt."

Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft de toenmalige gemachtigde van betrokkene een conceptrapport van 11 oktober 2004 van de klinisch psycholoog

drs. R.K.F. Lemmens, uitgebracht in een kantongerechtsprocedure tegen de ex-werkgever van betrokkene, overgelegd.

De rechtbank heeft met betrekking tot het besluit van 25 mei 2004 als volgt geoordeeld:

"Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie uitspraak van 6 november 2003, JB 2004/6 en de uitspraak van 3 maart 2004, RSV 2004/167) vloeit noch uit de Awb, noch uit de regels van goede procesorde voort dat de omvang van het geschil in beroep zodanig beperkt zou moeten zijn dat de rechtbank het door eiser overgelegde rapport van Lemmens niet in de beoordeling van dit geschil zou moeten betrekken, omdat verweerder met dit rapport geen rekening heeft kunnen houden bij het nemen van het bestreden besluit. De gemachtigde van eiser heeft dit rapport en de bijbehorende grief jegens de capaciteiten van psychiater Duinkerke tijdig aangevoerd en is daarmee niet buiten de grenzen van het geschil getreden. Verweerder heeft zowel voor, nu dit rapport reeds op 11 november 2004 -bij de rechtbank ontvangen op

15 november 2004 -is overgelegd, als na de behandeling ter zitting op dit rapport kunnen reageren en het is de rechtbank niet gebleken dat er in de bezwaarfase welbewust van is afgezien om deze grief niet aldus nader te beschrijven.

Het bestreden besluit kan derhalve reeds om die reden niet in stand blijven.

Artikel 4:6 van de Awb geeft de voorwaarden waaraan een nieuwe aanvraag moet voldoen.

Na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerder afwijzende beschikking.

Gelet op de inhoud van dit rapport van drs. Lemmens komt de rechtbank voorts tot de conclusie dat dit rapport als een nieuw gebleken feit moet worden gezien op grond waarvan verweerder eisers aanvraag niet kan afwijzen zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiser gegrond moet worden verklaard."

In hoger beroep heeft appellant onder meer het volgende aangevoerd:

" Wij kunnen ons niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. In het algemeen is het standpunt van de rechtbank juist dat noch uit de Awb, noch uit de regels van goede procesorde voortvloeit dat de omvang van het geschil in beroep zodanig beperkt zou moeten zijn dat in beroep of hoger beroep tijdig overgelegde stukken of aangevoerde omstandigheden niet in de beoordeling van een geschil zou mogen betrekken. Echter in zaken waar het gaat om verzoeken om terug te komen op in rechte onaantastbaar geworden besluiten, zoals het onderhavige geschil, heeft uw Raad bij herhaling uitgesproken (zie onder andere de uitspraak van 4 december 2003, RSV 2004/88, de uitspraak van 24 december 2003, RSV 2004/90, de uitspraak van 30 maart 2004, USZ 2004/180 en de uitspraak van 5 oktober 2004, LJN: AR4738 (niet gepubliceerd)) dat ten aanzien van na het bestreden besluit bekend geworden stukken voorbij wordt gegaan omdat daaromtrent in het bestreden besluit geen beslissing kon worden genomen.

Naar ons oordeel had de rechtbank zich dienen te beperken tot de vraag of de telefonische mededeling van de heer [M.] van 12 december 2003 en de in bezwaar overgelegde stukken en hetgeen daarbij is aangevoerd, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden bevatten en zo ja, of wij daarin aanleiding hadden moeten zien om de beslissing van 5 februari 1997 te herzien. Zoals reeds aangegeven waren, met uitzondering van het oordeel van de indicatiecommissie en het dagelijks bestuur van het Werkvoorzieningschap Weert e.o., alle door de heer [M.] overgelegde (medische) stukken reeds bij ons bekend en in eerder beoordeling(en) betrokken. Ten aanzien van de indicatiestelling van het Werkvoorzieningschap Weert e.o. zijn en blijven wij van mening dat dit niet als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt. Dit oordeel dat de heer [M.] (thans) niet tot de doelgroep behoort van de WSW wil immers niet zeggen dat onze beslissing van 5 februari 1997 onjuist zou zijn.

Op grond van het voorgaande zijn wij van mening dat de aangevallen uitspraak niet juist is en dat onze beslissing op bezwaar van 25 mei 2004 ten onrechte is vernietigd. Voorts was er volgens ons geen plaats voor een proceskostenveroordeling. Wij verzoeken u dan ook die uitspraak te vernietigen en onze beslissing alsnog te bevestigen."

De Raad kan zich met dit betoog en de conclusie ervan volledig verenigen.

De Raad overweegt voorts dat, gezien de inhoud van hetgeen betrokkene bij de primaire besluitvorming en in bezwaar heeft aangevoerd - uit die inhoud kan in redelijkheid geen nieuwe aanvraag om uitkering worden onderkend -, het bestreden besluit niet (tevens) een beslissing met betrekking tot een nieuwe aanvraag had moeten inhouden.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het inleidend beroep van betrokkene zal ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Ten overvloede overweegt de Raad het volgende.

Ter zitting van de Raad is gebleken dat het rapport van de psycholoog Lemmens inmiddels is voorgelegd aan appellant met een nieuw verzoek om terug te komen van de eerdere besluitvorming en dat appellant inmiddels wederom afwijzend op dat verzoek heeft beslist, omdat het rapport van de psycholoog Lemmens naar het oordeel van appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden bevat.

In de lijn van zijn jurisprudentie - zie onder meer de uitspraak van 21 september 2004, 02/4340 WAJONG, LJN: AR4180 en JB 2004,379 - overweegt de Raad dat bedoeld rapport van Lemmens weliswaar nieuw is maar op zichzelf genomen niet kan worden beschouwd als een nieuw feit of een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De visie van Lemmens is immers niet terug te voeren op nieuw gebleken feiten of omstandigheden maar berust uitsluitend op een nadere beschouwing en beoordeling door die psycholoog van de reeds lang bekende feiten en omstandigheden.

Wat betreft de kritiek van Lemmens op de psychiater S.J. Duinkerke wijst de Raad op zijn uitspraak van 8 april 2003, 01/5089 WAO, LJN: AI0597 en RSV 2003/164.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2007.

(get) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.