Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8886

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
06-1605 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaartermijn overschreden? Risico van verzending per fax voor verzender. Verzending per fax voldoende aannemelijk? Verzendjournaal.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 121
NJB 2007, 794
ABkort 2007/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1605 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 maart 2006, 05/1524 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 7 februari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 29 november 2006. Appellant heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. Namens betrokkene is verschenen mr. G. Spera, advocaat te Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 22 oktober 2004 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij geen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangt omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Namens betrokkene heeft mr. D.S.G. Lie, advocaat te Heerlen, bij faxbericht van 1 december 2004 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit faxbericht was gericht aan het Uwv Heerlen, afdeling bezwaar en beroep, Postbus 2620, 6401 MB Heerlen, en is verzonden naar faxnummer 045 – 5737300, zijnde het in het besluit van 22 oktober 2004 vermelde faxnummer. Bij faxbericht van 30 december 2004 heeft mr. Lie voornoemd de gronden van het bezwaar ingediend. De geadresseerde en het faxnummer waren gelijk aan die van het inleidend bezwaarschrift.

1.2. Nadat betrokkene bij fax van 28 april 2005 en diens gemachtigde bij fax van 7 juni 2005 het bezwaarschrift van

1 december 2004 nogmaals hadden toegezonden, heeft appellant bij brief van 16 juni 2005 de ontvangst van laatstgenoemd faxbericht bevestigd. Bij brief van 27 juni 2005 heeft appellant meegedeeld dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en gevraagd naar de reden van deze termijnoverschrijding. In antwoord daarop heeft de opvolgend gemachtigde van betrokkene, mr. G. Spera, onder verwijzing naar de faxberichten van 1 december 2004 en van 30 december 2004, meegedeeld dat het bezwaar wel tijdig was ingediend. Ter onderbouwing van dit standpunt zijn van beide faxberichten de verzendjournaals met vermelding “verzending OK” meegezonden.

1.3. Bij het bestreden besluit van 4 juli 2005 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 22 oktober 2004 niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verontschuldigbare overschrijding van de bezwaartermijn. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat uit onderzoek niet is gebleken dat de volgens betrokkene op tijd verzonden fax van 1 december 2004 ook daadwerkelijk bij het Uwv is binnengekomen en dat dit inhoudt dat het Uwv pas op 7 juni 2005 van het bezwaar kennis heeft kunnen nemen.

1.4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene, een en ander met bepalingen over proceskosten en griffierecht. Appellants ontkenning van de ontvangst van het bezwaarschrift van 1 december 2004 en van de ontvangst van het aanvullend bezwaarschrift van 30 december 2004 kwam de rechtbank onbegrijpelijk, onzorgvuldig en ongeloofwaardig voor. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant het bezwaar van betrokkene ten onrechte niet ontvankelijk verklaard wegens een niet verontschuldigbare overschrijding van de bezwaartermijn.

1.5. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad de risico’s verbonden aan het sturen van een fax en het sturen per gewone post voor rekening van de afzender komen. Het gebruik maken van deze middelen levert per definitie op dat het aan de verzender is om aannemelijk te maken dat tijdig de gronden van zijn bezwaar zijn ingediend. Met betrekking tot de faxberichten van 1 december 2004 en van 30 december 2004 beschikte betrokkene over verzendjournaals. Dit is onvoldoende om te stellen dat het bericht is ontvangen. De Raad heeft in zijn uitspraak van 7 april 2004, LJN AQ8104, gepubliceerd in RSV 2004/279, uitgesproken dat het bestuursorgaan niet gehouden is om een faxjournaal bij te houden. Desalniettemin heeft appellant alsnog een onderzoek ingesteld naar de ontvangst van voornoemde faxberichten. Dit onderzoek heeft evenwel niets opgeleverd omdat, blijkens een bijgevoegd emailbericht van

6 april 2006, het betreffende dossier onvindbaar bleek.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie is het indienen van een bezwaarschrift door middel van een faxbericht op zichzelf aan te merken als een toelaatbare wijze van verzending. De aan deze wijze van verzending verbonden risico’s dienen voor rekening van de verzender te komen. Dit brengt mee dat, als door de geadresseerde wordt gesteld dat het verzonden stuk niet is ontvangen, het op de weg van de verzender ligt de verzending aannemelijk te maken. Indien de verzender de verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst van het faxbericht op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.

2.2. De Raad is van oordeel dat betrokkene de verzending van het bezwaarschrift per fax van 1 december 2004 voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Blijkens het overgelegde verzendjournaal is dit faxbericht op die datum naar het juiste faxnummer verzonden en blijkt uit de mededeling “verzending OK” dat het bericht daadwerkelijk is verstuurd. De Raad heeft in het onderhavige geval geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het verzendjournaal.

2.3. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of appellant de ontvangst van het faxbericht van 1 december 2004 op een niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend. Dienaangaande stelt de Raad voorop dat appellant ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat bij het Uwv te Heerlen ten tijde hier in geding ontvangstjournaals van faxen slechts enkele dagen werden bewaard. Weliswaar heeft appellant er terecht op gewezen dat hij niet gehouden is om een faxjournaal bij te houden van ingekomen faxberichten, maar bij gebreke van een dergelijk journaal zal appellant langs andere weg de ontvangst van een fax op een niet ongeloofwaardige wijze moeten ontkennen.

2.4. De Raad moet echter constateren dat, blijkens de in hoger beroep overgelegde email van 6 april 2006, het (orginele) dossier van betrokkene onvindbaar is. Onder deze omstandigheden kan de stelling van appellant dat het faxbericht van

1 december 2004 niet is ontvangen niet worden aangemerkt als een niet ongeloofwaardige ontkenning ervan en moet het er voor worden gehouden dat appellant op die dag het betreffende faxbericht heeft ontvangen.

3. Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 422,--.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.