Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
06-1922 WAO + 06-1925 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAO-uitkering wegens ontvangen inkomsten. Terugvordering. Inkomsten toe te schrijven aan verrichte inspanningen vòòr aanvang arbeidsongeschiktheid. Zorgvuldigheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1922 WAO en 06/1925 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 maart 2006, 05/1707 en 05/754 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Bij brieven van 8 november 2006 en 22 november 2006 heeft de gemachtigde van appellant nadere stukken in geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 17 november 2006 een nadere reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Grégoire. Het Uwv is, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is sedert 1 augustus 1968 werkzaam geweest als leraar bij de [naam werkgever]. Op 1 april 1987 is appellant definitief wegens ziekte uitgevallen. Bij brief van 18 mei 1988 heeft de hoofddirectie van het ABP verklaard dat hij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking van leraar bij de evengenoemde stichting te vervullen. Met ingang van 1 januari 1996 is aan appellant een zogenoemde WAO-conforme uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% toegekend.

Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft het Uwv onder toepassing van artikel 44 van de WAO in verband met door appellant ontvangen inkomsten uit arbeid van 1 januari 1999 tot januari 2001 een korting toegepast op appellants inmiddels WAO-uitkering, aldus dat die uitkering is uitbetaald als ware appellant arbeidsongeschikt naar een mate van 65 tot 80%. Namens appellant is hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 november 2004 heeft het Uwv van appellant - voor zover hier van belang - een bedrag van € 14.749,40 aan naar zijn oordeel over het tijdvak van 1 januari 1999 tot 1 januari 2001 onverschuldigd aan appellant betaalde uitkering van hem teruggevorderd. Ook hiertegen is namens appellant bezwaar gemaakt.

Bij schrijven van 31 mei 2005 is namens appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het tegen het besluit van 20 oktober 2004 gemaakte bezwaar. Bij besluit van 20 juni 2005 heeft het Uwv alsnog dat bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de terugvorderingsbeslissing van 2 november 2004 ongegrond verklaard. Ook tegen dit besluit is beroep ingesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het tegen het primaire besluit van 20 oktober 2004 gemaakte bezwaar aangemerkt als fictieve weigering en dat beroep wegens het nog ontbreken van enig (processueel) belang niet-ontvankelijk verklaard als ook de beroepen tegen de besluiten van 20 juni 2005 en 18 oktober 2005 ongegrond verklaard, zulks met proceskostenveroordeling en bepaling over vergoeding van het griffierecht.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat desgevraagd ter zitting door de gemachtigde van appellant is verklaard dat de in het hoger beroepschrift vervatte grief dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen bespreking door de Raad behoeft.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat een vergoeding voor in het verleden verrichte werkzaamheden, die thans niet meer worden verricht, niet mogen worden meegenomen bij de toepassing van artikel 44 van de WAO.

Appellant heeft er op gewezen dat hij reeds in 1972 is begonnen met het geven van lezingen over kinderboeken en het verzamelen daarvan. Vanaf begin jaren 80 werkte hij verder onder andere aan het “Weertlands woordenboek” en werd door uitgeverij Nijgh & Van Ditmar in 1987 het boek “Talen naar spel” uitgegeven. Daarnaast werkte appellant via uitgeverij Zwijsen aan het boek “Om ’t gedicht” en begon hij in 1986 te werken aan een leesmethode. In de jaren 90 verschenen onder andere “Taaldidactiek aan de basis”, “Handboek lees- en schrijfdidactiek” en “Basis voor lezen”.

Appellant heeft benadrukt dat de door hem in 1999 en 2000 ontvangen vergoedingen onder andere zijn gebaseerd op het aantal boeken dat van zijn - in april 1987 op de markt gekomen - lesmethode “Talen naar spel” is verkocht en dat de lesmethode jaren geleden, zelfs vóór het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, door hem is ontwikkeld. Toen is die arbeid door hem verricht.

Dat hij daarvoor nog steeds van de uitgever een vergoeding ontvangt via het aantal verkochte boeken, betekent volgens appellant niet dat deze vergoeding moet worden gezien als inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 44 van de WAO. Appellant meent ook dat er door het Uwv ten onrechte geen aandacht aan is besteed dat hij de werkzaamheden voor deze lesmethode heeft afgerond vóór de toekenning van de uitkering en dat die werkzaamheden in het kader van het vaststellen van zijn recht op uitkering ook nimmer zijn meegenomen.

De Raad overweegt als volgt.

Het Uwv heeft in het bestreden besluit onder meer overwogen dat niet is gebleken dat de door appellant in 1999 en 2000 genoten inkomsten zijn toe te schrijven aan de door hem vóór aanvang van de arbeidsongeschiktheid (1 april 1987) verrichte inspanningen.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad niet gebleken dat het Uwv aan zijn opvatting een gedegen onderzoek ten grondslag heeft gelegd. In het besluit van 20 juni 2005 heeft het Uwv van zo’n onderzoek ook geen melding gemaakt. Een onderzoek had zeker niet achterwege mogen blijven in de onderhavige situatie waarin appellante tijdig in de bestuurlijke fase gedocumenteerd heeft aangegeven dat een deel van zijn in 1999 en 2000 verkregen inkomsten betrekking heeft op de door hem vóór 1 april 1987 geschreven boeken. Reeds hierom is het bestreden besluit van 20 juni 2005 ontoereikend gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid en tot stand gekomen. Dat besluit dient daarom wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, te worden vernietigd. Hierdoor komt ook de grondslag aan het (terugvorderings) besluit van 18 oktober 2005 te ontvallen, zodat ook dat besluit dient te worden vernietigd.

Voorts dient de aangevallen uitspraak waarbij de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond zijn verklaard, te worden vernietigd, behoudens voor zover daarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard en voor zover daarin tot vergoeding van het griffierecht in eerste aanleg is beslist.

Het Uwv zal met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen opnieuw op de bezwaren van appellant dienen te beslissen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 161,= + € 644,= voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.459,=.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard en tot vergoeding van het griffierecht in eerste aanleg is beslist;

Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 20 juni 2005 en 18 oktober 2005 gegrond en vernietigt die besluiten;

Bepaalt dat het Uwv nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.459,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.