Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
05-897 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Aantal van de geduide functies vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/897 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 januari 2005, 04/459 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met aanvulling ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 5 januari 2007. Appellant is aldaar, zoals tevoren is bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door H.A.T. Laaracker.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 18 februari 2004 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv - beslissend op bezwaar - zijn besluit heeft gehandhaafd om appellant met ingang van 2 december 2003 - in aansluiting op het einde van de wachttijd - geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, op de grond dat appellant op de datum in geding minder dan 15 % arbeidsongeschikt is te achten.

De rechtbank heeft het inleidend beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich evenals in beroep op het standpunt gesteld dat hem met ingang van 2 december 2003 alsnog een WAO-uitkering dient te worden toegekend, aangezien het Uwv de ernst en omvang van de medische beperkingen van appellant onderschat en hij op de datum in geding niet in staat was om de hem door het Uwv voorgehouden functies te vervullen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep verwezen naar hetgeen in beroep reeds is aangevoerd met betrekking tot, in hoofdzaak, de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Verder is de Raad namens appellant verzocht om een externe medische deskundige te benoemen en is nog een kennelijk van 20 april 2005 daterende brief overgelegd van de appellant behandelend fysiotherapeut, R.E.R.J. Bröcheler.

Ten aanzien van het medische component van het bestreden besluit overweegt de Raad dat appellant in hoger beroep geen objectieve medische gegevens heeft ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde functionele mogelijkheden van appellant op de datum in geding. De Raad kent aan de namens appellant overgelegde verklaring van de hem behandelend fysiotherapeut Bröcheler niet het gewicht toe dat appellant eraan toegekend wil zien. Daarbij merkt de Raad op dat die verklaring betrekking heeft op de gezondheidssituatie van appellant lang na de datum in geding. De rechtbank heeft de door appellant in hoger beroep herhaalde grieven naar het oordeel van de Raad afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet slagen. De Raad onderschrijft de ter zake door de rechtbank gehanteerde overwegingen derhalve en maakt deze tot de zijne. Verder acht ook de Raad zich voldoende voorgelicht over de gezondheidssituatie van appellant ten tijde in geding, zodat er geen aanleiding is om alsnog een externe medische deskundige te benoemen.

Ten aanzien van het arbeidskundige component van het bestreden besluit is ter zitting van de Raad door de gemachtigde van het Uwv onder overlegging van een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald van 28 december 2006 meegedeeld dat een aantal van de geduide functies om arbeidskundige redenen alsnog moet komen te vervallen en dat aan appellant daarom alsnog met ingang van de datum in geding een uitkering zal worden toegekend naar de klasse 15 tot 25 %. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, het inleidende beroep van appellant alsnog gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit wegens onzorgvuldig voorbereiding dient te worden vernietigd. Op het bezwaarschrift van appellant moet het Uwv een nieuwe beslissing nemen. De Raad laat thans daar of het stellen van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 2 december 2003 op 15 tot 25 % correct is.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten zijn begroot op € 322,- als kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 644,-. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) N.E. Nijdam.