Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2007
Datum publicatie
19-02-2007
Zaaknummer
05-5054 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslagbevoegdheid. De bestuurscommissie heeft ten onrechte onderzoek naar herplaatsingsmogelijkheden binnen het eigen gezagsbereik achterwege gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5054 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs Deventer (hierna: bestuurscommissie),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 juni 2005, 04/805 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

de Bestuurscommissie.

Datum uitspraak: 8 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

De bestuurscommissie heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2006. De bestuurs-commissie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T. Brouwer en J.M. ten Hoor, beiden verbonden aan Dyade Dienstverlening Onderwijs. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. N. van den Berg, advocaat te Ede.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 1985 als groepsleerkracht werkzaam in het openbaar basis-onderwijs in Deventer. Op 18 maart 2002 heeft hij zich ziek gemeld in verband met spanningsklachten. In mei 2002 heeft de arbo-arts te kennen gegeven dat betrokkene niet arbeidsongeschikt is door ziekte of gebrek, maar dat er bij het hervatten van de werkzaamheden wel een reële kans is op arbeidsongeschiktheid. Hierna zijn gesprekken met betrokkene gevoerd waarin gezamenlijk is geconcludeerd dat het beter is dat betrokkene buiten het onderwijs werk zal vinden. In juni 2002 is in opdracht van de bestuurscommissie een loopbaanoriëntatie-onderzoek uitgevoerd. In juli 2002 is betrokkene op verzoek van de arbodienst onderzocht door een psychiater, welke heeft geconcludeerd dat terugkeer in eigen werk recidiverend zal leiden tot arbeidsongeschikt-heid. Hierna is betrokkene in juli 2002 bij het Vervangingsfonds aangemeld voor de zogeheten re-integratie arbeidsgehandicapten 2e spoor, gericht op re-integratie bij een andere werkgever. Het re-integratiebedrijf Loyalis Mens en Werk (hierna: Loyalis) is vervolgens belast met het opstellen en uitvoeren van een re-integratietraject.

1.2. Op 11 december 2002 heeft betrokkene in een gesprek met de bestuurscommissie te kennen gegeven dat hij weer aan de slag wil en graag wil re-integreren op school. Betrokkene is voorgehouden dat er in overleg met hem is gekozen voor de re-integratie 2e spoor. Uitkomst van het gesprek was dat Loyalis is verzocht het re-integratietraject te versnellen.

1.3. In januari 2003 is betrokkene gekeurd voor de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO.) Aan betrokkene is een WAO-uitkering geweigerd, omdat hij niet wegens ziekte of gebrek zodanig beperkt werd geacht dat hij ongeschikt is voor zijn eigen werk. Het tegen dat besluit door zowel de bestuurscommissie als betrokkene ingesteld beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.

1.4. In september 2003 is de betrokkene meegedeeld dat bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV-USZO) een functie-ongeschiktheidsadvies zal worden gevraagd en dat, als blijkt dat hij zijn functie niet meer kan uitoefenen, hem ontslag zal worden verleend. Op 24 december 2003 is het gevraagde advies uitgebracht. Conclusie van het advies is dat betrokkene op de voorgenomen ontslagdatum twee jaar arbeidson-geschikt is en dat naar verwachting nog zal zijn zes maanden na die datum. Daaraan is toegevoegd dat de arts tevens heeft aangegeven dat géén sprake is van arbeidsongeschikt-heid als rechtstreeks gevolg van medisch vaststelbare ziekte of gebrek.

1.5. Bij besluit van 15 januari 2004 is betrokkene met toepassing van artikel 228, aanhef en onder c, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC en artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BZA), met ingang van 1 april 2004 ontslag verleend. De bestuurscommissie heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 mei 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank was van oordeel dat, gezien de toevoeging in het functie-ongeschiktheidsadvies, niet voldaan is aan de in artikel 20, tweede lid, aanhef van het BZA gestelde eis dat betrokkene op grond van ziekte of gebreken is geraakt in een toestand van blijvende ongeschiktheid om aan de aan zijn functie gestelde eisen te voldoen.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, als volgt.

3.1. De Raad stelt met de bestuurscommissie vast dat de toevoeging in het functie-ongeschiktheidsadvies van 24 december 2003 van UWV-USZO in tegenspraak is met de conclusie in het rapport van de verzekeringsgeneeskundige van 23 december 2003 waarop dat advies is gebaseerd. In dat rapport is immers onder de rubriek: ‘Beantwoording onderzoeksvraag en advies’ vermeld: “De cliënt is op de voorgenomen ontslagdatum, zijnde 01-04-2004, ten minste 24 maanden ongeschikt voor de volledige omvang van de eigen functie, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Het valt redelijkerwijs te verwachten dat de cliënt in medisch opzicht binnen 6 maanden na de voorgenomen ontslagdatum nog steeds ongeschikt zal zijn voor de volledige omvang van zijn eigen functie.”

De Raad overweegt dat, voor zover de toevoeging in het functie-ongeschiktheidsadvies al niet als een kennelijke verschrijving of misslag moet worden beschouwd, de bestuurscommissie op grond van de onderliggende medische rapportage heeft kunnen afwijken van de toevoeging in het functie-ongeschiktheidsadvies. Dit temeer nu op diverse plaatsen in de gedingstukken naar voren komt dat hervatting door betrokkene van zijn eigen werk zou leiden tot hernieuwde en recidiverende uitval. De Raad is derhalve anders dan de rechtbank van oordeel dat wel degelijk is voldaan aan het gestelde in artikel 20, tweede lid, aanhef en onder a en b, van het BZA, en daarmee aan de eerste twee voorwaarden voor het kunnen uitoefenen van de ontslagbevoegdheid. Het hoger beroep van de bestuurscommissie treft in zoverre doel.

3.2. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad vervolgens beoordelen of tevens is voldaan aan de derde voorwaarde voor het kunnen uitoefenen van de ontslagbevoegdheid, te weten dat er bij het bevoegd gezag voor betrokkene geen reële herplaatsingsmogelijkheden zijn. Dienaangaande was in artikel 20, zevende lid, van het BZA (thans achtste lid), bepaald dat het bevoegd gezag door middel van een zorgvuldig onderzoek moet kunnen aantonen dat er voor betrokkene geen reële herplaatsings-mogelijkheden zijn, waartoe eerst dient te worden onderzocht of de mogelijkheid bestaat van plaatsing in een functie met passende arbeid, en daarna, indien die mogelijkheid zich niet voordoet doch niet eerder dan na afloop van het eerste ziektejaar, in een functie met gangbare arbeid, waarbij ook het oordeel van het UWV betrokken dient te worden.

3.3. De bepalingen aangaande het herplaatsingsonderzoek moeten, mede vanwege de diep ingrijpende gevolgen die een ontslag in verband met arbeidsongeschiktheid voor de betrokkene met zich brengt, volgens vaste jurisprudentie - verwezen wordt naar de uitspraken van 13 september 2001, LJN AD5013, TAR 2001, 157, en van 1 juni 2006, LJN AX8836, TAR 2006, 170, met betrekking tot een soortgelijke bepaling als hier in geding - door het desbetreffende bestuursorgaan nauwgezet in acht te worden genomen. Alleen in de situatie dat vanwege de gezondheidstoestand van een volledig arbeidson-geschikte het verrichten van arbeid als louter hypothetisch moet worden beschouwd, zou het - naar de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 17 juli 2003, LJN AI0622, TAR 2004, 19, - denkbaar kunnen zijn dat van een herplaatsingsonderzoek kan worden afgezien.

3.4. De Raad overweegt dat laatstgenoemde situatie niet aan de orde is. De Raad stelt vervolgens vast dat van enig onderzoek naar herplaatsingsmogelijkheden bij de (andere) scholen die onder gezag van de bestuurscommissie staan, niet is gebleken. Immers al kort na de uitval van betrokkene in mei 2002 is gekozen voor een extern begeleidingstraject met als doel een baan buiten het onderwijs. Het in datzelfde gesprek ook aan de orde gestelde coachings-/begeleidingstraject op een andere school met regelmatige evaluatie, is niet verder onderzocht, ook niet toen betrokkene in december 2002 aangaf dat hij gewoon aan de slag wilde en wilde re-integreren op school.

3.5. De Raad wijst met betrekking tot de vereiste herplaatsingsinspanningen nog op artikel 12 van het BZA. In dat artikel wordt de bestuurscommissie opgedragen uitvoering te geven aan het, bij gelegenheid van de WAO-beoordeling, door het UWV gegeven oordeel omtrent herplaatsbaarheid van de betrokkene. Uit het gespreksverslag van

5 februari 2003 komt naar voren dat bij de WAO-keuring tegen betrokkene gezegd zou zijn dat hij niet zodanig beperkt is dat hij ongeschikt is voor het eigen werk. Ook de bewoordingen van de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 23 december 2004 lijken de mogelijkheid voor re-integratie in de eigen functie in een beperktere omvang open te laten.

4. Het een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat de bestuurscommissie ten onrechte onderzoek naar herplaatsingsmogelijkheden binnen het eigen gezagsbereik achterwege heeft gelaten. Nu dit onderzoek achterwege is gebleven, was de bestuurscommissie - zij het op een andere grond dan waarvan de rechtbank is uitgegaan - niet bevoegd om betrokkene ontslag te verlenen.

4.1. Het vorenstaande betekent dat de bestuurscommissie alsnog en met voortvarendheid een gedegen onderzoek zal dienen in te stellen naar mogelijkheden om betrokkene (geheel of gedeeltelijk en zo nodig en mogelijk met verschuiving van taken) binnen één van de onder haar gezag staande scholen te herplaatsen. De Raad wijst daarbij op zijn hierboven genoemde jurisprudentie, blijkens dewelke dit herplaatsingsonderzoek in overleg met betrokkene dient te worden uitgevoerd. De Raad meent dat de duur van dit onderzoek zich tenminste zal dienen uit te strekken tot en met de taaktoedeling voor het schooljaar 2007/2008, derhalve tot 1 september 2007. Gelet voorts op het feit dat ten minste twijfel mogelijk is over de vraag of en in welke mate betrokkene nog steeds arbeidsongeschikt is voor (de volledige vervulling van) zijn eigen werk - een WAO-uitkering is naar zeggen van appellant hem immers geweigerd omdat hij geschikt zou zijn voor eigen werk - komt het de Raad voorts aangewezen voor dat, voor zover daarover geschil bestaat tussen partijen, daarnaar in de eerste plaats een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld.

5. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met dien verstande dat de bestuurscommissie een nieuw besluit op het bezwaarschrift dient te nemen met inachtneming van de overwegingen van de Raad.

5. De Raad acht op grond van het vorenstaande termen aanwezig de bestuurscommissie met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep ten bedrage van € 644,- aan kosten van rechtskundige bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat de bestuurscommissie een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;

Veroordeelt de bestuurscommissie in de proceskosten van betrokkene ten bedrage van

€ 644,-, te betalen door de gemeente Deventer;

Bepaalt dat van de gemeente Deventer een griffierecht ten bedrage van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

K. Zeilemaker en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) W.M. Szabo.

HD

21.01

Q