Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8843

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2007
Datum publicatie
19-02-2007
Zaaknummer
05-4782 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kan het aan betrokkene verleende reorganisatieontslag in rechte stand houden?

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 49g
Algemeen Rijksambtenarenreglement 99
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4782 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2005, 04/1644 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 1 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te ’s-Gravenhage, en M. de Bie, werkzaam op het Ressortsparket

’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Onder verwijzing overigens naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en naar de uitspraak van de Raad van 10 maart 2005, 04/1228 AW, volstaat de Raad met het navolgende.

1.1. Per 1 januari 1997 is appellants functie van [naam functie] opgeheven. De definitieve herplaatsing van appellant in 1997 in de functie van secretaris OM en het per 1 maart 1999 aan appellant met toepassing van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenaren-reglement (ARAR) verleende ontslag zijn door de Raad vernietigd (uitspraak van

13 december 2001, TAR 2002, 54). Daarbij heeft de Raad ten overvloede overwogen:

”Op de Minister rust thans de verplichting een voor appellant passende functie te zoeken. Nu appellant in het verleden, zoals hierboven onder 5.4.5. is overwogen, ten onrechte de waarborgen van de reguliere plaatsingsprocedure zijn onthouden, komt het de Raad geraden voor appellant thans tegemoet te treden als had hij de status van een herplaatsingkandidaat bij een reorganisatie. Het ligt daarbij voor de hand het Sociaal Plan SBK-OM2 als uitgangspunt te nemen. Het komt de Raad daarbij niet opportuun voor de plaatsing van appellant bij de opeenvolgende reorganisaties geheel over te doen maar de huidige situatie als uitgangspunt te nemen. Daarbij dient er volgens artikel 11 van genoemd sociaal plan primair naar gestreefd te worden appellant te plaatsen op zijn oude niveau van schaal 12, maar de Raad tekent daarbij aan dat binnen de huidige belonings-structuur - naar ter zitting ook door appellant is erkend - wellicht ook een functie op niveau van schaal 11 daarmee inmiddels gelijk kan worden gesteld. De Raad vertrouwt erop dat de Minister zich aldus - en gezien de voorgeschiedenis: met kracht - zal inspannen om in overeenstemming met genoemd Sociaal Plan binnen of zo nodig buiten zijn gezagsbereik een passende functie voor appellant te vinden.”

1.2. Aan appellant is bij besluit van 18 maart 2002 met ingang van 19 maart 2002 de status van herplaatsingskandidaat gegeven. Daarbij zou toepassing worden gegeven aan het SBK-OM2, met dien verstande dat de huidige situatie het uitgangspunt zou zijn. Indien herplaatsing na een zorgvuldig onderzoek gedurende tenminste 18 maanden niet mogelijk zou blijken, dan kon eervol ontslag volgen. Bij ’s Raads in 1. genoemde uitspraak is dit besluit in stand gebleven.

1.3. Appellant heeft begeleiding gekregen van het Centrum voor Loopbaanontwikkeling en heeft, met aanbevelingen van de zijde van het ressortsparket, op verschillende functies van schaalniveau 11 en 12 gesolliciteerd. Deze sollicitaties hebben geen positief resultaat gehad.

1.4. Bij besluit van 22 juli 2002 zijn appellant met ingang van 1 september 2002 met toepassing van artikel 58, eerste lid, van het ARAR tijdelijk de werkzaamheden van juridisch medewerker bij het ressortsparket ’s-Gravenhage opgedragen. Dit besluit is bij ’s Raads onder 1. genoemde uitspraak in stand gebleven.

Appellant heeft deze werkzaamheden ongeveer vier maanden verricht en heeft in januari 2003 ziekteverlof genoten. In aansluiting op een eerder gesprek is appellant bij brief van 4 februari 2003 de functie van senior-juridisch medewerker als structurele functie aangeboden. Tot een plaatsing is het niet gekomen. Appellant heeft gekozen voor een outplacementtraject.

1.5. Na een daarop gericht voornemen is appellant bij besluit van 28 november 2003 met ingang van 1 maart 2004 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 96, eerste lid, van het ARAR. Bij het thans bestreden besluit van 4 mei 2004 is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten.

2.1. Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - naar voren gebracht dat hem niet tenminste één passende functie is aangeboden, dat de minister zich onvoldoende heeft ingespannen een passende functie aan te bieden en dat aan het ontslag een wachtgeld verbonden had moeten zijn.

2.2. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De Raad moet in dit geding de vraag beantwoorden of het aan appellant verleende reorganisatieontslag in rechte stand kan houden.

3.1. Partijen worden in de eerste plaats verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of de minister voldaan heeft aan de ingevolge artikel 49g, eerste lid, van het ARAR geldende verplichting om de ambtenaar tijdens de herplaatsingsperiode tenminste één passende functie aan te bieden.

3.2. Bepalend daarvoor is of het aanbod van 4 februari 2003 als zodanig aanbod kan gelden.

3.2.1. Tegen het aanbod van 4 februari 2003 heeft appellant bezwaar gemaakt en bij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening gevraagd. Appellant achtte de functie niet passend en de brief van 4 februari 2003 bevatte onduidelijkheden. Zo vroeg appellant zich af of aanvaarding van de functie zou impliceren dat er geen outplacementtraject meer gevolgd mocht worden en/of hij het aanbod kon weigeren in verband met zijn verplichtingen als herplaatsingskandidaat; hij was met name bevreesd voor het verspelen van het recht op wachtgeld als het outplacement te zijner tijd niet tot een plaatsing zou leiden. Nadat de minister kenbaar had gemaakt dat een weigering van het aanbod geen consequenties zou hebben, ook niet ten aanzien van eventuele latere wachtgeld-aanspraken, heeft appellant te kennen gegeven dat hij het outplacement zou gaan volgen.

Na de intrekking door appellant van zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft de hoofdadvocaat-generaal appellant bij brief van 13 maart 2003 meegedeeld dat hij niet zou worden geplaatst in de functie van senior-juridisch medewerker en dat het aanbod niet langer werd gehandhaafd. Appellant is vervolgens met outplacement gestart.

3.2.2. Volgens appellant heeft de uitspraak van de minister over het ontbreken van consequenties aan een weigering van het aanbod, tot gevolg dat het aanbod van de functie van senior-juridisch medewerker in feite als niet gedaan geldt, zodat de minister alsnog een nieuw passend functieaanbod zou moeten doen om te voldoen aan de voorwaarde van artikel 49g, eerste lid, van het ARAR.

3.2.3. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Blijkens zijn bezwaarschrift van 11 februari 2003 was het appellant volstrekt helder dat hem een functieaanbod was gedaan. Appellant was blijkens dit bezwaarschrift vooral bevreesd voor de gevolgen die het afslaan van het aanbod zou hebben voor zijn wachtgeldaanspraken. De betekenis van een niet ingaan op het aanbod in verband met het bepaalde in artikel 49g, eerste lid, van het ARAR heeft appellant nimmer aan de orde gesteld. De Raad wijst erop dat appellant niet heeft gereageerd op de zinsnede in de brief van 13 maart 2003 inhoudend “dat het zwaartepunt voor u ligt bij het mogelijk verliezen dan wel gekort worden op een toekomstige wachtgelduitkering”. Het had op appellants weg gelegen om een eventueel ander cruciaal aspect op dat moment bij de minister aan de orde te stellen. In de brief van 13 maart 2003 ziet de Raad ook overigens geen aanknopingspunt voor appellants opvatting dat hij erop mocht vertrouwen dat het aanbod in het kader van artikel 49g, eerste lid, van het ARAR als niet gedaan zou gelden en dat hem daarna tenminste één nieuw (passend) functieaanbod gedaan zou moeten worden.

3.2.4. De Raad deelt ook niet appellants opvatting dat hij na de gegeven duidelijkheid omtrent de gevolgen van een eventuele weigering, door de prompte intrekking van het aanbod in de brief van 13 maart 2003 onvoldoende tijd heeft gehad om zich te beraden over zijn keuze. De Raad acht daartoe van belang dat de functie een structurele functie betrof die dringend vervuld moest worden en dat het formele aanbod appellant inmiddels ongeveer 6 weken bekend was. Appellant heeft in het totaal van zijn gedragingen steeds laten blijken dat hij die functie bij voorkeur niet wilde aanvaarden en aan outplacement de voorkeur gaf. Uit appellants uitlatingen op de zitting van 13 maart 2003 heeft de minister mogen begrijpen dat appellant, nadat hem was voorgehouden dat dit - voor zijn aanspraken op uitkering - geen gevolgen zou hebben, het aanbod weigerde. Indien de brief van 13 maart 2003 voor appellant een te snelle afhandeling was, dan had het op appellants weg gelegen om daarop te reageren. De omstandigheid dat het zes weken had geduurd voordat appellant de benodigde informatie had doet daar niet aan af. In verband met appellants herhaalde stelling dat het aanbod was ingetrokken, wijst de Raad er op dat in de brief van 13 maart 2003 wederom is beklemtoond dat de functie passend was en dat de hoofdadvocaat-generaal ervan overtuigd was dat appellant een succes zou kunnen maken van die functie. Het niet handhaven van het aanbod betekende enkel dat de vacature op de gebruikelijke wijze opengesteld zou worden.

3.2.5. Het vorenstaande betekent dat de onder 3.2. gestelde vraag door de Raad bevestigend wordt beantwoord.

3.3. De vraag of het aanbod van 4 februari 2003 een passende functie betrof beantwoordt de Raad eveneens bevestigend.

3.3.1. De Raad wijst er daarbij op dat het inmiddels sedert 19 maart 2002 lopende herplaatsingstraject nog geen resultaat had gehad. Appellant was voor enige functies van een hoger niveau dan schaal 10 afgewezen en er was geen uitzicht op een dergelijke voor appellant passende functie. Voorts kan er niet aan voorbij gezien worden dat sedert de benoeming van appellant in de functie van adjunct-kabinetschef, in het algemeen voor benoeming in functies van salarisniveau 11 of 12 een hogere opleiding geëist wordt dan waarover appellant beschikt. In aanmerking genomen voorts dat ingevolge artikel 49h, tweede lid, van het ARAR en het SBK-OM2 ook functies met een niveau van twee salarisschalen lager als passend kunnen worden aangemerkt, dat appellants opleiding voor de functie van senior-juridisch medewerker adequaat was en de hoofdadvocaat-generaal tevreden was over de resultaten van appellants werkzaamheden, ziet de Raad niet in dat deze functie niet passend zou zijn.

3.3.2. Het tijdvak waarin de minister primair naar functies op het niveau van schaal 12 of schaal 11 behoorde te zoeken, mocht de minister na de inmiddels verstreken tijd dan ook als geëindigd beschouwen.

3.3.3. Appellant stelt eveneens ten onrechte dat het aanbod tijdens ziekte werd gedaan, aangezien appellant met ingang van 3 februari 2003 hersteld was verklaard, hetgeen door middel van een second opinion is bevestigd. Appellant heeft overigens nimmer laten blijken dat zijn gezondheidstoestand hem belemmerde om op een goede wijze op het aanbod te reageren.

3.4. De Raad ziet ook overigens niet in dat de minister onvoldoende inspanningen heeft gedaan om appellant te herplaatsen. De Raad wijst erop dat appellant geen functies heeft genoemd waarop hij ten onrechte niet is benoemd en dat hij tegen de afwijzing van zijn sollicitaties geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Appellant heeft voorts steeds de ondersteuning genoten van professionele begeleiders en is tijdens het outplacementtraject op zijn verzoek vrijgesteld van werkzaamheden.

3.5. De Raad moet ten slotte de vraag beantwoorden of de minister gehouden was om aan het ontslag een recht op wachtgeld uit hoofde van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (RWB) toe te kennen.

3.5.1. Het RWB is per 1 januari 2001 ingetrokken. De ambtenaren zijn sinds die datum onder de Werkloosheidswet gebracht. Door middel van een bovenwettelijke werkloos-heidsuitkering is voor rijksambtenaren een voorziening getroffen waarbij het voorheen geldende RWB model heeft gestaan. Appellant heeft ter zitting aangegeven dat hij tot zijn pensioengerechtigde leeftijd aanspraak heeft op een uitkering ter hoogte van 70% van zijn bezoldiging. Appellant heeft echter enige verslechteringen genoemd van het huidige regiem ten opzichte van het RWB.

3.5.2. De omstandigheid dat in het kader van het SBK-OM2 het RWB genoemd werd brengt niet mee dat appellant in verband met het ontslag per 1 maart 2004 aanspraak op die uitkering behoorde te krijgen. Het SBK-OM2 zelf geeft immers geen recht op wachtgeld en in het besluit van 19 maart 2002 werd in opdracht van de Raad de “huidige situatie als uitgangspunt” genomen. De Raad ziet daarmee geen aanspraak van appellant op toekenning van een wachtgeld ingevolge het RWB.

3.5.3. Dat appellant bij een reorganisatieontslag in de negentiger jaren in beginsel in aanmerking had kunnen komen voor een wachtgeld brengt niet mee dat dit thans ook het geval is. De omstandigheid dat de huidige uitkering minder gunstig is dan een wachtgeld ingevolge het RWB en dus ook minder gunstig dan de uitkering die verbonden was aan het in 1999 gegeven ontslag is geen reden om de minister gehouden te achten een aanvullende voorziening te treffen.

3.6. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

3.7. De Raad ziet ten slotte geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gegeven door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

05.02

Q