Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2007
Datum publicatie
19-02-2007
Zaaknummer
05-4180 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding. Geen aansprakelijkheid Staatssecretaris voor de gestelde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/87
ABkort 2007/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4180 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juni 2005, 03/4309 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 15 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.J.M.G.M van der Meijden, advocaat te Harderwijk. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.F.E. de Wijkerslooth, werkzaam voor het Ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was ten tijde hier van belang, in de rang van majoor, [naam functie], van de Koninklijke landmacht. Na zijn herstel van de ziekte non Hodgkin lymfoma heeft appellant zijn werkzaamheden begin 1993 volledig hervat. Bij een genees-kundig onderzoek in oktober 1993 is onder meer als medische beperking vastgesteld dat appellant niet diende te worden blootgesteld aan piekbelasting en zware lichamelijke inspanning. Na de op 16 mei 1994 vastgestelde beoordeling, welke met de uitspraak van de Raad van 29 mei 1997, reg.nr. 96/2068 MAW, in rechte is komen vast te staan, heeft appellant in meerdere geschriften zijn klachten inzake de door hem ondervonden bejegening geuit. Medio juli 1994 is appellant ontheven uit zijn functie en per 6 december 1994 is hij geplaatst in de functie van beleidsmedewerker rechtspositie en overleg bij de Directie Personeel Koninklijke landmacht. Per 1 november 1996 is appellant, in de rang van luitenant-kolonel, geplaatst in de functie van hoofd Arbodienst Oost, tevens chef staf Arbodienst. Eind 1998 is appellant op eigen verzoek in verband met zijn psychische klachten uit zijn functie ontheven. Met ingang van 1 juli 1999 is aan appellant met toepassing van de uitstroombevorderende maatregel voor ouderen eervol ontslag verleend.

1.2. Appellant heeft bij brief van 5 februari 1998 de staatssecretaris aansprakelijk gesteld voor de schade die hij geleden heeft door zijn werkomstandigheden in 1993 en 1994 en verzocht om deze schade en de toekomstig te lijden schade volledig te vergoeden.

1.3. De staatssecretaris heeft bij besluit van 9 september 2002 het verzoek om schadever-goeding afgewezen en meegedeeld evenmin aanleiding te zien om op basis van artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) tot schadevergoeding over te gaan. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van

6 november 2003 ongegrond verklaard.

2. Het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

Verzoek om schadevergoeding

3.1. Appellant heeft aan zijn verzoek om schadevergoeding de stelling ten grondslag gelegd dat hij psychisch is beschadigd doordat hij met zijn medische beperkingen in 1993 is geplaatst in een functie welke gekenmerkt werd door tegenwerkingen en waarin hij geconfronteerd is met onbehoorlijke bejegeningen door de Koninklijke landmacht in het algemeen en door zijn leidinggevende kolonel P. in het bijzonder, tegen welke bejegeningen hem van de zijde van de werkgever ook onvoldoende bescherming is geboden. Appellant stelt dat hij zich daardoor genoodzaakt heeft gezien ontslag te vragen, waardoor zijn carrière bij de Koninklijke landmacht tot een voortijdig einde is gekomen. Een en ander heeft volgens appellant zowel materiële als immateriële schade veroorzaakt. Meer concreet heeft appellant gewezen op - kort samengevat - het welbewust blootstellen aan hoge werkdruk, doordat de staatssecretaris heeft nagelaten de vacature voor de plaatsvervanger van appellant te vervullen en hem in dezelfde periode op te dragen de in het kader van zijn studie op te nemen uren te compenseren met overwerk, de wijze waarop leidinggevende P. appellant ten onrechte heeft beschuldigd van een tekort op de begroting, de gang van zaken betreffende de beoordeling van 16 mei 1994, waarbij P. appellant onheus heeft bejegend en aan appellant zou hebben kenbaar gemaakt dat een en ander consequenties zou hebben voor zijn verdere loopbaan binnen de Koninklijke landmacht, het geen gehoor krijgen voor het door appellant voorgestane arbobeleid en het naast zich neerleggen van de adviezen van appellant terzake, de informele ontheffing uit zijn functie medio juli 1994, alsmede het achterwege laten van een adequate reactie op zijn klachten, waardoor appellant uiteindelijk arbeidsongeschikt is geraakt en geen andere uitweg meer heeft gezien dan om ontslag te verzoeken.

3.2. De Raad stelt vast dat het appellant te doen is om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Dit beweerdelijk onrechtmatig handelen ziet enerzijds op schending van de zorgplicht van de werkgever (CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072, TAR 2000/112 en JB 2000/232), anderzijds op aan de werkgever toe te rekenen onrechtmatige daden van zijn ondergeschikte (CRvB 25 oktober 2001, LJN AD6369, TAR 2002/21 en JB 2001/326). Wat betreft de bejegening die appellant bij de Koninklijke landmacht heeft ervaren, stelt de Raad voorop dat de zorgplicht van de werkgever zich mede uitstrekt tot het voorkomen van werkomstandigheden die psychisch ziekmakend zijn. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 8 september 2005, LJN AU2896 en TAR 2005, 177), wordt hetgeen door de Hoge Raad der Nederlanden in diens arrest van 11 maart 2005 (LJN AR6657, ABN AMRO Genève) is overwogen met betrekking tot de toe-passing van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek in het civiele arbeidsrecht, door de Raad naar de strekking ook voor het ambtenarenrecht onderschreven. Overigens kan de zorgplicht niet zo ruim worden opgevat dat van de werkgever wordt verlangd op voor-hand bescherming te bieden tegen alle denkbare wrijvingen en (samenwerkings-)proble-men die zich op de werkvloer kunnen voordoen. De in het werk of de werkomstandig-heden gelegen bijzondere factoren die de schade zouden hebben veroorzaakt, moeten worden geobjectiveerd. Wanneer de gestelde schade in sterkere mate van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen.

3.3. Mede op basis van de verklaringen van kolonel P. en diens leidinggevende generaal-majoor L., is de staatssecretaris tot het oordeel gekomen dat van enig onrechtmatig handelen niet is gebleken.

Wat betreft de wijze waarop P. en L. zijn gehoord, deelt de Raad niet de bezwaren die appellant ter zitting naar voren heeft gebracht. Met het horen van P. en L. heeft de staatssecretaris op aanvaardbare wijze invulling gegeven aan zijn uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeiende verplichting om, ter voorbereiding van de beslissing op het inleidende verzoek, de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Weliswaar heeft appellant de hoorzittingen niet bij kunnen wonen en is hij daardoor niet in de gelegenheid geweest ook zelf aan P. en L. vragen te stellen, doch appellant is uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de door hen afgelegde verklaringen. Ook overigens heeft het appellant gedurende de procedure steeds vrijgestaan om andere gegevens, zoals verklaringen van andere betrokkenen, zelf in het geding te brengen.

3.4. Ten aanzien van de werkomstandigheden en de door appellant ondervonden bejegening stelt de Raad allereerst vast dat tussen partijen niet in geding is dat appellant in 1993 en 1994 overuren heeft gemaakt. De Raad moet evenwel constateren dat de overuren in de betwiste periode deels zijn veroorzaakt door de met ingang van september 1993 door appellant op eigen initiatief gevolgde studie. Voorzover appellant zich gegriefd heeft gevoeld door het besluit dat hij zijn studie-uren diende te compenseren met overwerk, moet worden vastgesteld dat hij tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Dit betekent dat dit besluit naar inhoud en wijze van totstandkoming voor rechtmatig moet worden gehouden. Verder blijkt uit de stukken dat appellant in principe vrij was om zelf zijn werk in te richten en dat hij een voorstel van P. medio 1993 om zijn functie te verlichten, heeft afgewezen. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken van een aan de staatssecretaris toe te rekenen blootstelling aan te hoge werkdruk. Daarbij heeft de Raad nog in aanmerking genomen dat, zoals ter zitting onweersproken door de staatssecretaris naar voren is gebracht, appellant in 1994 voor zijn studie-uren alsnog compensatieverlof heeft gekregen.

3.4.1. De stukken laten verder zien dat zowel tussen appellant en diens direct leiding-gevende P. als ook tussen appellant en L. sprake is geweest van een door spanningen gekenmerkte werksfeer. Tussen appellant en P. bestond een diepgaand meningsverschil inzake de beoordeling van 16 mei 1994 en het geconstateerde tekort in het zogeheten infrabudget. Deze problemen berustten echter op een reeds vóór de beoordeling door P. erkend misverstand. Ten aanzien van de gewraakte beoordeling heeft de Raad in zijn onder 1.1. genoemde uitspraak overwogen dat deze in rechte stand kan houden. De Raad heeft in zijn voornoemde uitspraak ook overwogen dat niet gebleken is dat P. als eerste beoordelaar niet de benodigde objectiviteit in acht had genomen. Daarbij tekent de Raad nog aan dat de gewraakte beoordeling op alle gezichtspunten een waardering boven het niveau van minimaal “goed” bevatte. Tussen appellant en L. bestond een duidelijk verschil van inzicht omtrent het te voeren arbobeleid, hetgeen eveneens van negatieve invloed op de werksfeer was. De Raad is er echter geenszins van overtuigd geraakt dat de adviezen van appellant terzake om onheuse of rancuneuze redenen niet werden opgevolgd. Veeleer is sprake geweest van een andere prioriteitstelling, hetgeen niet betekent dat de adviezen van appellant niet werden gewaardeerd. De Raad acht op zichzelf wel aannemelijk en niet onbegrijpelijk dat appellant onder die spanningen heeft geleden. Naar het oordeel van de Raad is echter niet gebleken dat de werksfeer van dien aard was dat gesproken kan worden van werkomstandigheden met een buitensporig karakter.

3.4.2. Ten aanzien van de ontheffing uit zijn functie medio juli 1994 was sprake van een appellabel besluit, dan wel een feitelijke handeling, die eveneens voor bezwaar en beroep vatbaar is geweest. De Raad deelt niet het standpunt, zoals namens appellant ter zitting naar voren is gebracht, dat het door appellant opgestelde intern memorandum van 9 juli 1994 als een bezwaarschrift tegen de ontheffing was aan te merken. Dit memorandum bevat niet meer dan een opsomming van de gebeurtenissen voorafgaande aan de beoordeling van 16 mei 1994 en sluit af met een verzoek om P. te herinneren aan de door hem afgelegde officierseed of gelofte. Nu appellant in de feitelijke ontheffing heeft berust, moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de ontheffing. Reeds daarom is er voor schadevergoeding geen plaats. Overigens kan de Raad ook op dit punt geen elementen ontwaren waarvoor appellant zich objectief met recht zou kunnen beklagen. De staatssecretaris heeft aangegeven dat de ontheffing van appellant zich laat verklaren door een reorganisatie en het opheffen van zijn functie. De stukken laten verder zien dat appellant nadien verschillende functies in ’s-Gravenhage heeft vervuld. De Raad is er dan ook geenszins van overtuigd geraakt dat de ontheffing uit zijn functie als een rancuneuze maatregel van P. zou zijn te kenschetsen. Ook overigens is niet gebleken dat appellant zou zijn tegengewerkt in zijn verdere loopbaan. Daarbij heeft de Raad nog in aanmerking genomen dat aan appellant op eigen verzoek met toepassing van de uitstroombevor-derende maatregel van ouderen ontslag is verleend.

3.4.3. Onvoldoende grond bestaat voorts voor het oordeel dat de staatssecretaris niet adequaat heeft gereageerd op alle beklagschriften van appellant. De Raad stelt vast dat de klachten van appellant deels gelijktijdig liepen met zijn bezwaarprocedure tegen voor-noemde beoordeling. Met de staatssecretaris is de Raad verder van oordeel dat appellant in zijn vele geschriften niet altijd even duidelijk kenbaar heeft gemaakt wat zijn bedoeling was. Daarbij had appellant het achterwege blijven van een reactie op zijn beklagschriften ook zelf kunnen aankaarten.

3.4.4. Het geheel van de door appellant naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, brengt de Raad evenmin tot het oordeel dat de staatssecretaris aansprakelijkheid voor de gestelde schade had behoren te aanvaarden. Daar voegt de Raad nog aan toe dat de fysieke gesteldheid van appellant in de betwiste periode in dit geval niet tot een ander oordeel leidt. Weliswaar heeft de bedrijfsarts geadviseerd appellant niet bloot te stellen aan piekbelasting, maar gelet op het voorgaande kan daarvan ook niet worden gesproken

Artikel 115 AMAR

3.5. In artikel 115 van het AMAR is bepaald dat de Minister de bevoegdheid heeft naar billijkheid de militair schadeloos te stellen, kosten te vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming te verstrekken. In zijn uitspraak van 9 december 2004, LJN AR7748 en TAR 2005, 33, heeft de Raad aangegeven dat een bepaling als artikel 115 van het AMAR kan worden gezien als uitdrukking van de norm dat de overheidswerkgever verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen.

3.5.1. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat geen aansprakelijkheid van de staats-secretaris kan worden aangenomen op grond van schending van de zorgplicht als werkgever of op grond van een fout van een ondergeschikte waarvoor de staatssecretaris aansprakelijk is. Andere gronden dan hiervoor zijn besproken heeft appellant niet aan zijn beroep op artikel 115 van het AMAR ten grondslag gelegd. De Raad concludeert dan ook dat de staatssecretaris door het niet toekennen van een vergoeding op grond van artikel 115 AMAR niet in strijd heeft gehandeld met de billijkheid of met het goed werkgeverschap van de overheid.

4. Gezien het vorenstaande treft het hoger beroep geen doel en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) W.M. Szabo.

HD

03.02

Q