Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8834

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2007
Datum publicatie
19-02-2007
Zaaknummer
05-3032 MAW en 05-3033 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om te mogen nadienen. Ontslag. Staatssecretaris heeft ten onrechte niet onderkend dat betrokkene (in beginsel) aanspraak op kon maken om na te dienen in een andere functie dan die welke hij tot dan had vervuld.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 39
Algemeen militair ambtenarenreglement 39a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3032 MAW en 05/3033 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 april 2005, 04/1341 en 04/1342 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 15 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.H. ten Wolde, werkzaam bij de AFMP/FNV. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Božilovic, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als assistent hoofd productgroep huisvesting en diensten bij het Regionaal Militair Commando-Noord van de Koninklijke landmacht in de rang van adjudant-onderofficier.

1.2. Bij schrijven van 3 september 2002 heeft appellant de staatssecretaris verzocht om gedurende 24 maanden vanaf 1 augustus 2003, de reguliere datum van leeftijdsontslag, te mogen nadienen.

Bij besluit van 21 maart 2003 heeft de staatssecretaris dit verzoek afgewezen.

1.3. Bij besluit van 2 april 2003 heeft de staatssecretaris vervolgens met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 39a, aanhef en onder e, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) aan appellant met ingang van

1 augustus 2003 eervol ontslag verleend uit de militaire dienst wegens het op 3 juli 2003 bereiken van de ontslaggerechtigde leeftijd van 55 jaar.

1.4. Bij besluit van 18 juli 2003 heeft de staatssecretaris wederom met toepassing van evengenoemde bepalingen aan appellant ingaande 1 augustus 2003 eervol ontslag verleend uit de militaire dienst.

1.5. Bij besluit van 31 juli 2003 heeft de staatssecretaris het ontslagbesluit van 2 april 2003 ingetrokken.

1.6. Bij het bestreden besluit van 18 maart 2004 heeft de staatssecretaris de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 21 maart 2003 en 18 juli 2003 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover thans nog van belang, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

Ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om te mogen nadienen

3.1.1. Allereerst is hier van belang dat bij besluit van 18 maart 2003 afwijzend is beslist op het verzoek van appellant om hem (per 1 augustus 2003) zijn eigen functie toe te wijzen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 18 september 2003 ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit heeft appellant geen beroep ingesteld. Dit besluit dient dan ook in dit geding als een rechtens vaststaand gegeven te worden beschouwd. Dit brengt mee dat de handhaving van de afwijzing van het verzoek om te mogen nadienen, voor zover het daarbij gaat om de eigen functie van appellant, niet voor onrechtmatig kan worden gehouden.

3.1.2. Met betrekking tot de vraag of appellant in aanmerking had behoren te worden gebracht voor nadienen in een andere functie heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat appellant desgevraagd te kennen heeft gegeven dit niet te wensen. De staatssecretaris heeft hierbij met name het oog op een mondelinge mededeling van de heer S. van de afdeling Rechtspositie, dat appellant hem telefonisch had laten weten alleen in zijn eigen functie te willen nadienen. Appellant heeft met nadruk ontkend dat hij dit laatste heeft gezegd. Weliswaar ging zijn voorkeur ernaar uit om in zijn eigen functie na te dienen, maar een andere functie heeft hij nooit uitgesloten. Gezien deze stellingen van appellant kan er niet van worden uitgegaan dat hij in de richting van de staatssecretaris heeft medegedeeld dat hij enkel en alleen in zijn eigen functie wilde nadienen. Het belang dat hierbij voor appellant uit een oogpunt van zijn rechtspositie is betrokken, vraagt dat vanwege de staatssecretaris op overtuigende wijze, in beginsel onder overlegging van schriftelijke bewijsmiddelen, wordt aangetoond dat een dergelijke mededeling door appellant is gedaan. De staatssecretaris is hierin niet geslaagd.

Daarbij komt dat appellant in de bezwaarprocedure, daarnaar gevraagd vanwege de staatssecretaris, duidelijk heeft kenbaar gemaakt bereid te zijn in een andere functie na te dienen.

3.1.3. De staatssecretaris heeft op 16 juli 2001 een Beleidsnota vastgesteld waarin voor de militair een materieel recht op nadienen is geïntroduceerd, hetgeen betekent dat iedere aanvraag tot nadienen wordt gehonoreerd mits de militair instemt met de voorgenomen functietoewijzing. In zijn uitspraak van 1 december 2005, LJN AU9150 en TAR 2006, 55, heeft de Raad als zijn oordeel gegeven dat het beleid, gelet op de achtergrond van de totstandkoming van de Beleidsnota en de aldaar gehanteerde formulering, niet anders kan worden begrepen dan dat de staatssecretaris elke aanvraag in die zin dient te honoreren dat aan de aanvrager een functieaanbod wordt gedaan. De Raad ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.

3.1.4. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting moet de Raad verder vaststellen dat de staatssecretaris appellant nimmer een reëel aanbod heeft gedaan van een functie waarin hij kon nadienen. Gelet op hetgeen onder 3.1.2. en 3.1.3. is overwogen, had zo’n aanbod niet achterwege mogen blijven. Weliswaar heeft de staatssecretaris appellant gewezen op een bepaalde vacature, maar nadat appellant van zijn belangstelling voor de desbetreffende functie had blijk gegeven is hij daarvoor afgewezen omdat hij niet aan de gestelde ervaringseisen voldeed. Van het aanbieden van een functie waarin appellant, na deze te hebben aanvaard, kon worden geplaatst is geen sprake geweest.

3.1.5. De Raad overweegt voorts dat hem niet is gebleken van (zeer) bijzondere omstandigheden die de staatssecretaris ertoe noopten om in dit concrete geval van zijn beleid af te wijken.

3.1.6. Uit het vorenstaande volgt dat de staatssecretaris het verzoek van appellant te mogen nadienen op ondeugdelijke gronden heeft afgewezen. Het bestreden besluit kan op dit onderdeel wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuurs-recht niet in stand blijven, terwijl ook de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het ontslag met ingang van 1 augustus 2003

3.2.1. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen heeft de staatssecretaris ten onrechte niet onderkend dat appellant er (in beginsel) aanspraak op kon maken na 1 augustus 2003 gedurende een periode van 24 maanden na te dienen in een andere functie dan die welke hij tot dan had vervuld. Hieruit vloeit voort dat de staatssecretaris appellant ten onrechte, althans niet op goede grond, reeds per 1 augustus 2003 ontslag uit de militaire dienst heeft verleend.

3.2.2. Het bestreden besluit komt ook voor dit deel voor vernietiging in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak op dit onderdeel.

3.3. De staatssecretaris dient een nieuw besluit op de door appellant tegen beide primaire besluiten ingediende bezwaren te nemen. Nu het verzoek van appellant tengevolge van het - voor rekening van de staatssecretaris komende - tijdsverloop als zodanig niet meer kan worden ingewilligd, is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris gehouden is zich bij zijn nadere besluitvorming te buigen over de vergoeding van de (mogelijk) ontstane schade.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en € 38,72 aan reiskosten en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en € 32,52 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 maart 2004;

Bepaalt dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.359,24, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 341,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) W.M. Szabo.

HD

07.02