Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
19-02-2007
Zaaknummer
05-558 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/558 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 december 2004, 03/1505 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 5 januari 2007. Appellant was vertegenwoordigd door mr. P.J. van ’t Hoff, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. B.H.C. de Bruijn.

II. OVERWEGINGEN

Bij uitspraak van 21 oktober 2002 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch, van oordeel dat het Uwv onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, gegrond verklaard het beroep van [werkgever 2] (de voormalig werkgever van appellant, hierna: [werkgever 2]) tegen de ongegrondverklaring van diens bezwaar tegen het besluit van het Uwv tot toekenning aan appellant van een volledige WAO-uitkering per 14 september 1999, uitgaande van 15 september 1998 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De rechtbank heeft voorts het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift.

Met het besluit van 24 april 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv opnieuw beslist op het bezwaarschrift van [werkgever 2]. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar gegrond geacht en bepaald dat de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van appellant dient te worden vastgesteld op 2 september 1998.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts terecht de eerste arbeidsongeschiktheidsdag alsnog op 2 september 1998 heeft gesteld op grond van de informatie van de huisarts van appellant waaruit blijkt dat appellant reeds langere tijd reële psychische klachten had in verband waarmee hij sinds februari 1998 onder behandeling was van een haptonoom in combinatie met het feit dat hij op 2 september 1998 wegens psychische klachten de huisarts heeft bezocht, kalmerende medicatie voorgeschreven heeft gekregen en mede op eigen verzoek is doorverwezen naar een psychiater voor nadere behandeling.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij op 2 september 1998 nog in dienst was bij zijn oude werkgever, [werkgever 1] (hierna: [werkgever 1]), doch dat hij op 2,3 en 4 september 1998 niet heeft gewerkt in verband met het opmaken van zijn verlofdagentegoed. Hij heeft zich op 2 september 1998 niet wegens psychische klachten tot zijn huisarts gewend, maar deze gevraagd om hem kalmerende middelen voor te schrijven in verband met zijn afscheidsreceptie bij [werkgever 1] op 4 september 1998. Eerst nadat appellant zijn werkzaamheden bij [werkgever 2] was begonnen, heeft hij zijn huisarts gevraagd hem naar een psychiater te verwijzen omdat hij zich vastgelopen voelde in zijn nieuwe baan. Hij heeft zich op 15 september 1998 ziek gemeld en aangezien hij in de periode daar voorafgaand niet ziek is geweest, dient die datum als eerste arbeidsongeschiktheidsdag te worden aangehouden.

Het Uwv heeft in zijn verweerschrift verwezen naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink van 20 maart 2003 alsook naar de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 23 oktober 1998 op de zogenoemde Medische Kaart van appellant en in verband hiermee het door hem ingenomen standpunt gehandhaafd.

De Raad stelt ten eerste vast dat het procesbelang van appellant is gelegen in de hoogte van het WAO-dagloon, zoals desgevraagd ter zitting van de Raad is toegelicht door de gemachtigde van appellant. Na de vaststelling door het Uwv van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 2 september 1998 is vervolgens door het Uwv het WAO-dagloon opnieuw berekend, aan de hand van de loongegevens van appellant inzake zijn baan bij [naam werkge[werkgever 1] in plaats van de loongegevens van appellant inzake zijn (beter betaalde) baan bij [werkgever 2].

Het hoger beroep spitst zich toe op de kwestie van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat het Uwv nader terecht en op goede gronden, in afwijking van de hoofdregel, de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant heeft vastgesteld op 2 september 1998 en stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake. De Raad ziet in de in hoger beroep aangevoerde argumenten geen reden tot twijfel aan de door het Uwv vastgestelde datum van 2 september 1998 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) N.E. Nijdam.

JL