Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2007
Datum publicatie
19-02-2007
Zaaknummer
05-5822 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot functieherwaardering.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5822 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2005, 04/2639 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 15 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2007. Appellant is verschenen met bijstand van mr. M.J. de Haas, werkzaam bij VBM/NOV. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door B.W. Baron, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was ten tijde hier van belang werkzaam bij de Koninklijke marechaussee (KMar) als hoofd van de Afdeling Economisch Beheer (H-AEB). In 2002 heeft hij verzocht deze functie te herwaarderen. Naar aanleiding van dit verzoek is op 25 november 2002 een functiebeschrijving opgesteld en vervolgens een waarderingsadvies uitgebracht.

1.2. Bij besluit van 24 november 2003, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 3 augustus 2004, is de functie van H-AEB overeenkomstig de functiebeschrijving en het waarderingsadvies gewaardeerd op het niveau van schaal 14 van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Bbad).

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens een bevoegdheidsgebrek vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, meer in het bijzonder tegen het (daarin besloten liggende) oordeel van de rechtbank dat de opgestelde functiebeschrijving de tot de functie behorende taken juist en volledig weergeeft. Appellant is van mening dat uit de functiebeschrijving niet of niet voldoende naar voren komt dat H-AEB in de hoedanigheid van controller een zelfstandige positie inneemt binnen de organisatie van de KMar en dat hij volwaardig lid is van de Marechausseeraad (MARRA).

2.2. Wat betreft de bijzondere positie van H-AEB als controller, heeft de staatssecretaris naar voren gebracht dat daaraan voldoende recht wordt gedaan door de vermelding, in het onderdeel Speelruimte van de functiebeschrijving, dat de functionaris beslissingen neemt met inachtneming van de Mandaatregeling FEZ-taken. De staatssecretaris heeft die mandaatregeling echter niet bij de gedingstukken gevoegd.

2.3. Ter ondersteuning van zijn betoog op dit punt heeft appellant ter zitting alsnog twee stukken overgelegd. De Raad stelt vast dat het hier uitsluitend gaat om een exemplaar van de Mandaatregeling FEZ-taken van 31 januari 1995 en een exemplaar van de daarvoor in de plaats getreden Mandaatregeling DGEF van 13 december 1995. Het betreft hier stukken die bij de staatssecretaris bekend mogen worden verondersteld, waarop de staatssecretaris zich in de procedure uitdrukkelijk heeft beroepen en waarover partijen - aan de hand van citaten en verwijzingen - reeds hebben gedebatteerd. Om die redenen acht de Raad het gerechtvaardigd deze stukken bij zijn oordeelsvorming te betrekken en is het niet nodig om de staatssecretaris, naar deze heeft verzocht, eerst nog in de gelegenheid te stellen zich schriftelijk over de inhoud ervan uit te laten.

2.4. Naar het oordeel van de Raad bevestigt de mandaatregeling de juistheid van het standpunt van appellant dat hij als H-AEB binnen de KMar de functie van (beleidsterrein)controller vervulde en als zodanig een zelfstandige positie binnen dit krijgsmachtonderdeel innam. De regeling laat zien dat op het niveau van het ministerie van Defensie een centrale controller-organisatie is opgezet onder leiding van de directeur-generaal Economie en Financiën (DGEF, thans directeur-generaal Financiën en Control) als concerncontroller, welke organisatie vertakkingen heeft binnen alle vier krijgsmachtonderdelen. Binnen ieder afzonderlijk krijgsmachtonderdeel is de beleidsterreincontroller de hoogste functionaris van deze centrale organisatie. In die hoedanigheid rapporteert hij rechtstreeks aan de DGEF en dient hij zich zonodig op te stellen tegenover andere functionarissen van de KMar, zelfs indien dezen in de hiërarchie van de KMar zijn meerderen zijn. Voor deze situatie voorziet de mandaatregeling in het inschakelen van de concerncontroller, de DGEF, die in samenspraak met de beleidsterreincontroller in overleg treedt met het desbetreffende hoofd van dienst, in dit geval de Bevelhebber van de KMar (thans Commandant KMar).

2.5. Het vorenstaande vindt bevestiging in het door de staatssecretaris overgelegde Sub-taakbesluit Koninklijke marechaussee 1995. In artikel 7 van dit besluit is aangeven dat H-AEB onder meer is belast met (a) het met inachtneming van de aanwijzingen en richtlijnen van de directeur Beleidsvoorbereiding en Beheer geven van leiding aan de Afdeling Economisch Beheer en (b) het met inachtneming van de functionele aanwijzingen en richtlijnen van DGEF uitvoeren van de door hem gemandateerde taken die voortvloeien uit de Comptabiliteitswet en het daarop gebaseerde Besluit Taak FEZ.

2.6. De Raad is met appellant van oordeel dat de enkele verwijzing naar de mandaatregeling in het onderdeel Speelruimte van de functiebeschrijving onvoldoende recht doet aan deze bijzondere positie van H-AEB binnen het krijgsmachtonderdeel KMar. Het betreft hier een wezenlijk bestanddeel van de functie. Een uitdrukkelijke vermelding van de hoedanigheid van beleidsterreincontroller en van de voornaamste consequenties daarvan had in de onderdelen Functieomgeving en Werkzaamheden niet mogen ontbreken. Voorts had onder Speelruimte tot uitdrukking moeten worden gebracht dat H-AEB niet alleen verantwoording schuldig is aan de directeur Beleidsvoorbereiding en Beheer van de KMar maar ook - namelijk in zijn hoedanigheid van beleidsterreincontroller - aan de DGEF van het ministerie van Defensie.

2.7. Wat betreft het lidmaatschap van de MARRA, komt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren dat het hier gaat om het hoogste beleidsorgaan van de KMar - de krijgsmachtonderdeelraad - waarin de Bevelhebber (thans Commandant KMar) zijn beleidsbeslissingen neemt. Niet in geschil is dat - althans vóór 2000 - binnen de MARRA onderscheid werd gemaakt tussen volwaardige leden enerzijds en adviserende of toehorende leden anderzijds. Appellant fungeerde aanvankelijk als zo'n toehoorder en stond in die hoedanigheid zijn directe meerdere, de directeur Beleidsvoorbereiding en Beheer, in de MARRA als adviseur ter zijde.

2.8. Hetgeen in de functiebeschrijving is opgenomen over het lidmaatschap van de MARRA heeft naar het oordeel van de Raad uitsluitend betrekking op dit toehorend of adviserend lidmaatschap. Zo is in het onderdeel Functieomgeving vermeld dat H-AEB is belast met de financieel-economische beleidsadvisering aan de leiding van de KMar en op basis van deze verantwoordelijkheid in de MARRA participeert. In het onderdeel Werkzaamheden is onder meer aangegeven dat appellant het managementteam (de MARRA) ondersteunt en adviseert. Deze taakaanduidingen verdragen zich niet met een volwaardige deelname aan de besluitvorming in de MARRA.

2.9. In het verslag van de MARRA van 4 januari 2000 is vermeld dat de controller van de KMar wordt benoemd tot lid van de MARRA (in plaats van toehorend lid). Het op deze vergadering betrekking hebbende aantekenvel van de Bevelhebber der KMar vermeldt onder punt 3 dat de controller KMar vast lid van de MARRA is. Deze omschrijvingen laten naar het oordeel van de Raad geen andere conclusie toe dan dat de Bevelhebber heeft besloten dat H-AEB voortaan als volwaardig lid van de MARRA zou fungeren. Weliswaar staat in het verslag tevens vermeld dat het Sub-taakbesluit dient te worden gewijzigd, maar de Raad moet constateren dat het Sub-taakbesluit geen enkele bepaling omtrent de MARRA of het lidmaatschap daarvan behelst. Ter zitting is komen vast te staan dat de samenstelling van de MARRA in het geheel niet formeel is geregeld. Waar op het aantekenvel van de Bevelhebber wordt gesproken over wijziging van enkele andere regelingen, heeft dit kennelijk betrekking op de daarin vermelde punten 1 en 2 en niet op het hier aan de orde zijnde punt 3. Ook anderszins heeft de staatssecretaris niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van de Bevelhebber - stellig geformuleerd als het is - niet bestemd was om onmiddellijk van kracht te zijn.

2.10. Geoordeeld moet dan ook worden dat de verwijzing in de functiebeschrijving naar het deelnemen aan de MARRA niet voldoende recht doet aan de inhoud die met ingang van 4 januari 2000 aan de functie H-AEB is gegeven.

2.11. Het vorenstaande betekent dat de functiebeschrijving op de beide door appellant genoemde punten tekort schiet en dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. Het hoger beroep treft dus doel. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De staatssecretaris dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en daarbij de uitspraak van de Raad in acht te nemen.

3. De Raad acht termen aanwezig om de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Bepaalt dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 207,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) W.M. Szabo.

HD

07.02

Q