Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8816

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2007
Datum publicatie
19-02-2007
Zaaknummer
05-1200 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om een nieuwe formele personeelsbeoordeling; Verzoek tot onderzoek van het ontslag. Verzoek om middelen te verschaffen om de kwestie voor te leggen aan het EHRM.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/72
ABkort 2007/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1200 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 januari 2005, 04/2003 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Economische Zaken (hierna: minister)

Datum uitspraak: 25 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant bij brieven van 19 mei 2005 en 14 juni 2005, met bijlagen, heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2006. Appellant is in persoon verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.H.M. Kraakman, werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft de Raad ter zitting verzocht de behandeling van de zaak te schorsen teneinde een onderzoek in te instellen naar de feiten die hebben geleid tot zijn verplaatsing, en uiteindelijk ontslag, bij het Centraal Planbureau (hierna: CPB) in 1990/1991. De Raad acht zich echter voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding het onderzoek te heropenen.

2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant is van 1 oktober 1982 tot 1 oktober 1991 als wetenschappelijk medewerker werkzaam geweest bij het CPB dat ressorteert onder de minister. In de laatste fase van zijn dienstverband is appellant geconfronteerd geweest met enkele hem niet welgevallige rechtspositionele beslissingen. De daartegen aangewende rechtsmiddelen hebben geleid tot uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage en van de Raad. Een verzoek van appellant om herziening van de uitspraken van de Raad van 11 mei 1995 en 29 mei 1997 is afgewezen bij uitspraak van de Raad van 28 februari 2002. Door deze uitspraken is in rechte onder meer komen vast te staan dat:

- een rechtmatige personeelsbeoordeling over de periode 1 januari 1989 tot 31 januari 1990 ten aanzien van appellant is vastgesteld,

- over de periode na 1 februari 1990 geen officiële personeelsbeoordeling is opgemaakt en dit ook niet (meer) behoefde te worden gedaan,

- appellant op goede gronden per 1 maart 1991 geen extra periodiek is toegekend,

- de minister na vernietiging van het besluit, waarbij appellants bezwaren tegen zijn verplaatsing in 1990 ongegrond zijn verklaard, geen nieuw besluit op bezwaar met betrekking tot die verplaatsing behoefde te nemen, en

- het met ingang van 1 oktober 1991 op grond van artikel 98, aanhef en eerste lid, onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) aan appellant gegeven ontslag stand houdt.

2.2. Bij brieven van 29 maart 2002, 4 april 2002, 12 december 2002 en 5 september 2003 heeft appellant de minister verzocht om alsnog een nieuwe formele personeelsbeoordeling op te maken over de periode van 1 januari 1989 tot 1 oktober 1991, alsmede om mededeling dan wel vaststelling van een primair besluit in verband met zijn verplaatsing in april 1990. Voorts heeft appellant verzocht zijn ontslag nader te laten onderzoeken door wetenschappers en hem middelen te verschaffen om de kwestie voor te leggen aan het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM).

2.3. Bij primair besluit van 7 januari 2004 heeft de minister de eerste twee verzoeken aangemerkt als verzoeken om terug te komen van in rechte onaantastbaar geworden besluiten en deze verzoeken afgewezen. Het derde verzoek is voor kennisgeving aangenomen.

2.4. Bij besluit van 29 maart 2004 heeft de minister de bezwaren van appellant voor zover gericht tegen de weigering terug te komen van eerdere besluiten ongegrond en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is daarbij het verzoek om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten afgewezen.

2.5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep een veelheid aan grieven aangevoerd die niet allemaal zijn gericht tegen (de wijze van totstandkoming van) de aangevallen uitspraak en/of het bestreden besluit. De Raad zal zich bij de bespreking van appellants grieven wel hiertoe beperken, waarbij hij voorts overweegt, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 7 april 1998, LJN ZB7563 en AB 1999, 32, dat noch uit artikel 8:69, noch uit artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voortvloeit dat de rechtbank of de Raad verplicht is in de uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk in te gaan.

De ongegrondverklaring van het bezwaar.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat met betrekking tot een formele personeelsbeoordeling over de door appellant aangegeven periode en de verplaatsing in april 1990 reeds besluiten zijn genomen, die door uitspraken van de rechtbank dan wel de Raad in rechte onaantastbaar zijn geworden. Wat er ook zij van een in april 1990 beweerdelijk aan appellant gedane toezegging dat er eind 1990 een personeelsbeoordeling zou worden opgemaakt, door voornoemde uitspraken staat in rechte vast dat die personeelsbeoordeling niet is opgemaakt en ook niet meer opgemaakt behoeft te worden. De Raad verwerpt de stelling van appellant dat hetgeen de Raad in zijn uitspraak van 28 februari 2002, nr. 00/4386 AW, opmerkt met betrekking tot de (niet) gehoudenheid van de minister om alsnog een personeelsbeoordeling op te maken, slechts een overweging van de Raad betreft, en niet als een partijen bindend oordeel kan worden aangemerkt.

Evenzeer volgt uit voornoemde uitspraak dat het primaire verplaatsingsbesluit in stand is gebleven en het besluit van de minister om ten aanzien van die verplaatsing geen nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, in rechte onaantastbaar is geworden. De Raad kan appellant niet volgen in zijn conclusie dat ten aanzien van de verplaatsing een primair besluit bestaat dat hem niet is medegedeeld; voor zover appellant daarmee doelt op een ander besluit dan dat waartegen hij destijds bezwaar heeft gemaakt, merkt de Raad op dat van een zodanig besluit in het geheel niet is gebleken.

4.2. Gezien de onaantastbaar geworden besluiten heeft de minister de hier in geding zijnde verzoeken van appellant terecht opgevat als verzoeken om daarvan terug te komen. Bij de beoordeling van de afwijzing door de minister van die verzoeken heeft de rechtbank de juiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. De Raad kan zich voorts geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de minister die verzoeken zonder nader onderzoek kon afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluiten.

De niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar.

5.1. Appellant heeft verzocht om een onderzoek naar zijn ontslag door wetenschappers en om hem financiële middelen te verschaffen teneinde het geschil voor te kunnen leggen aan het EHRM. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de weigering om dit verzoek in te willigen door de minister niet kan worden aangemerkt als een besluit of handeling met enig rechtsgevolg. Dat appellant in beroep zijn verzoek zou hebben aangeduid als een verzoek om schadeloosstelling als bedoeld in artikel 69 van het ARAR deed hieraan volgens de rechtbank niet af, nu de minister hiermee bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden.

5.2. Dienaangaande overweegt de Raad dat appellant niet eerst in beroep, maar reeds in bezwaar heeft aangevoerd dat het hier aan de orde zijnde verzoek zijns inziens kan worden gestoeld op artikel 69 van het ARAR. De Raad kan zich dan ook niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de minister hiermee bij het nemen van zijn besluit geen rekening heeft kunnen houden. Naar het oordeel van de Raad had de minister zich in het besluit op bezwaar reeds dienen uit te laten omtrent de toepassing van artikel 69 van het ARAR. Nu hij dat niet heeft gedaan, berust het bestreden besluit in zoverre op een onvoldoende grondslag. Dit betekent tevens dat het bestreden besluit, voor zover appellant daarbij niet-ontvankelijk is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak voor zover dit besluit daarbij voor dit onderdeel in stand is gelaten.

5.3. Nu de minister ter zitting gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom het verzoek van appellant zijns inziens ook niet op grond van artikel 69 van het ARAR voor inwilliging in aanmerking komt en appellant zich hierover heeft kunnen uitlaten, ziet de Raad aanleiding te beoordelen of de minister het verzoek van appellant terecht heeft afgewezen.

5.4. Artikel 69 ARAR luidde ten tijde hier in geding:

1. Onze Minister kan naar billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.

2. Onze minister is bevoegd omtrent schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties regels te geven.

De minister stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek van appellant om toepassing van artikel 69 van het ARAR eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat appellant als gewezen ambtenaar op dat artikel geen beroep kan doen en zijn verzoek derhalve niet kan leiden tot een op rechtsgevolg gericht besluit. Indien het verzoek van appellant wel inhoudelijk dient te worden beoordeeld, is de minister van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen. Naar de mening van de minister ziet voornoemd artikel 69 niet op een verzoek om vergoeding van kosten van een 15 jaar na het ontslag te starten gerechtelijke procedure bij een niet-specifieke ambtenarenrechter, waarbij de materiële rechtspositie van appellant als zodanig geen onderwerp van geschil is. Voorts is er uitvoerig geprocedeerd over het ontslag, zodat de minister, zeker niet bij voorbaat, de kosten van nog een procedure wil vergoeden. Daarbij komt, aldus de minister, dat appellant te zijner tijd het EHRM kan verzoeken om een proceskosten-veroordeling uit te spreken.

5.5. De Raad volgt de minister niet in zijn oordeel dat appellant ook in zijn verzoek om toepassing te geven aan artikel 69 van het ARAR niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Een beslissing van de minister met betrekking tot toepassing van artikel 69 van het ARAR is, ook als die beslissing inhoudt dat appellant geen aanspraak kan maken op een vergoeding op grond van dat artikel, een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

5.6. Evenmin volgt de Raad de minister in zijn standpunt dat een besluit met betrekking tot toepassing van artikel 69 van het ARAR appellant, als gewezen ambtenaar, niet treft in zijn ambtelijke rechtspositie. Van een verzoek om middelen ter beschikking te stellen om het ontslag nader te onderzoeken dan wel voor te leggen aan het EHRM, kan niet worden gezegd dat dit geen verband houdt met de ambtelijke rechtspositie van appellant. Het enkele feit dat het ontslag reeds meer dan 15 jaar geleden heeft plaatsgevonden, is in dit verband niet relevant.

5.7. Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van appellant overweegt de Raad dat de weigering van de minister de hantering betreft van een aan hem toekomende discretionaire bevoegdheid welke door de Raad slechts terughoudend kan worden getoetst. Van de hiervoor onder 5.4. weergegeven redenen van de minister om appellant geen vergoeding op grond van artikel 69 ARAR toe te kennen kan niet worden gezegd dat de minister hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5.8. Uit het voorgaande volgt dat de minister het onderhavige verzoek van appellant mocht afwijzen. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van appellant op dit punt ongegrond verklaren.

6. Van proceskosten welke op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 maart 2004 gegrond, voor zover het bezwaar van appellant daarbij niet-ontvankelijk is verklaard, en vernietigt dit besluit in zoverre;

Verklaart het desbetreffende bezwaar ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 341,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

22.01.