Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8811

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
19-02-2007
Zaaknummer
04-7375 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7375 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 november 2004, 04/1790 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens zijn er nog stukken ingebracht van zowel de kant van appellant als van de kant van het Uwv.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 5 januari 2007. Appellant is verschenen in tegenwoordigheid van zijn gemachtigde,

mr. L.B. de Jong, advocaat te ’s-Gravenhage. Het Uwv was vertegenwoordigd door

drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 25 maart 2004 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 augustus 2003 tot herziening van zijn volledige WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% per 27 oktober 2003 gegrond verklaard in die zin dat hij per die datum wordt ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard, waarbij zij heeft geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts zich voldoende zorgvuldig heeft geïnformeerd en op grond van die informatie tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellant geldende beperkingen is kunnen komen. Mede in verband hiermee heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het inwinnen van een medisch deskundigenadvies. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de omschrijvingen van de geduide functies passen binnen de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en dat voldoende is gemotiveerd waarom de voorkomende signaleringen geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid.

In hoger beroep heeft appellant (wederom) aangevoerd dat het Uwv de ernst van zijn psychische aandoening en chronische longaandoening niet goed onderkent en derhalve de daardoor veroorzaakte beperkingen onvoldoende laat meewegen bij de vaststelling van zijn belastbaarheid. Appellant herhaalt zijn verzoek om een deskundige te benoemen om rapport uit te brengen over de bij hem bestaande psychiatrische stoornissen, aangezien uit de stukken niet blijkt van de door het Uwv veronderstelde verbetering van de ernstige psychiatrische stoornissen die reeds jaren geleden werden vastgesteld.

Voorts heeft appellant (wederom) aangevoerd dat de geselecteerde functies ongeschikt zijn, aangezien in deze functies dient te worden samengewerkt, omgegaan met patiënten en gewerkt in de aanwezigheid van stof, rook, gassen en dampen, op welke punten appellant op medische gronden beperkt is. Tevens is geen rekening gehouden met de bijwerkingen van het door hem gebruikte anti-depressivum.

Wat betreft de medische beoordeling is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen in acht genomen medische beperkingen van appellant en stelt de Raad zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake. De in hoger beroep ingezonden medische informatie van K. Kasi, psychiater, doet hieraan naar het oordeel van de Raad niet af, reeds omdat deze informatie ziet op de periode vanaf april 2005 gedurende welke appellant bij deze psychiater in behandeling is, derhalve geen betrekking heeft op appellants medische situatie op de datum in geding. Wat betreft de astmatische bronchitis van appellant is de Raad van oordeel dat, nu appellant ten tijde van de geneesverzekeringskundige onderzoeken aangaf hiervan geen last te hebben en geen medicatie te gebruiken en gelet op de momenteel door appellant gebruikte medicatie (becotine en ventolin) het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om beperkingen ten aanzien van werken in de omgeving van stof, rook, gassen en dampen op te nemen in de FML.

Het enkele feit dat appellant eerder op medische gevonden een volledige WAO-uitkering is toegekend, doch de bezwaarverzekeringsarts op 30 januari 2004 – anders dan de primaire verzekeringsarts op 3 april 2003, die in het geheel geen aanleiding tot een urenbeperking zag – een beperking tot maximaal 4 uur per dag/20 uren per week heeft opgenomen en ook op dat punt de FML heeft aangescherpt, vormt onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet zorgvuldig kan zijn geweest.

Gelet op het voorgaande ziet de Raad evenmin als de rechtbank aanleiding om een expertise te laten verrichten door een onafhankelijke medisch deskundige.

Wat betreft de arbeidskundige beoordeling overweegt de Raad het volgende.

In hoger beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige A. Hols bij schrijven van

29 april 2005 een nadere motivering gegeven voor de theoretische schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Hierbij heeft hij aangegeven zekerheidshalve een functie te laten vervallen en de schatting te baseren op de functies produktiemedewerker industrie (SBC 111180), textielproduktenmaker (SBC 111160) en produktiemedewerker textiel (SBC 272043). Mede gelet op de rapportage van de bezwaar-arbeidsdeskundige D.L.A. Politon van 9 maart 2004 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de geselecteerde functies de schatting kunnen dragen. Wat betreft de gestelde bijwerkingen van het door appellant gebruikte anti-depressivum is de Raad van oordeel dat er geen medische onderbouwing is waaruit blijkt dat appellant in verband daarmee de geselecteerde functies niet kan uitoefenen.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2007.

(get.) G.J.H.Doornewaard.

(get.) N.E. Nijdam.

JL