Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8780

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
19-02-2007
Zaaknummer
06/143 WWB + 06/144 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststeling beslagvrije voet.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 475b, geldigheid: 2007-02-13
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 475d, geldigheid: 2007-02-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 118
RSV 2007, 110

Uitspraak

06/143 WWB

06/144 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 november 2005, 05/36 en 05/484 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 9 januari 2007, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante heeft een schuld bij het College wegens teveel betaalde bijstand. Bij besluit van 17 september 2004 heeft het College het maandelijks af te lossen bedrag met ingang van 1 oktober 2004 gesteld op € 93,--.

Bij besluit van 20 december 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 september 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 december 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat het inkomen van appellante niet bij het College bekend is, dat het College, gelet op het bepaalde in artikel 475d, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de beslagvrije voet van appellante terecht heeft vastgesteld op 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm en dat bij de vaststelling van het maandelijks af te lossen bedrag niet dient te worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van appellante, maar dat appellante geacht moet worden een inkomen te hebben ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 20 december 2004 ongegrond is verklaard. Zij heeft aangevoerd dat zij een inkomen heeft dat lager is dan de beslagvrije voet.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit artikel 475c Rv in samenhang bezien met de artikelen 58 en 60 van de Wet werk en bijstand (WWB) volgt dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig geschiedt dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d Rv.

Ingevolge artikel 475d, eerste lid, onderdeel b, ten eerste, Rv bedraagt de beslagvrije voet voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de WWB, indien het periodieke inkomen bij de beslaglegger bekend is, 90% van het inkomen inclusief vakantie-aanspraak, doch ten minste 90% van de norm, genoemd in artikel 21, onderdeel b, van de WWB en ten hoogste 90% van die norm nadat deze eerst verhoogd is met het bedrag genoemd in artikel 25, tweede lid, van de WWB.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellante kan worden aangemerkt als een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de WWB. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat appellante ten tijde hier van belang inkomsten had uit haar werk als oproepkracht voor [de besloten vennootschap] en dat zij daarnaast kinderbijslag ontving. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat appellante ten tijde hier van belang enig ander periodiek inkomen heeft genoten. Dat appellante op het op 30 augustus 2004 bij het College ingekomen 'inlichtingenformulier vaststelling betaalverplichting' heeft ingevuld dat zij in het geheel geen inkomen heeft, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de voorhanden gegevens blijkt voorts dat de inkomsten van appellante uit haar werk als oproepkracht voor [de besloten vennootschap] ten tijde hier van belang (veel) minder bedroegen dan de beslagvrije voet. Ingevolge artikel 475d, eerste lid, onderdeel b, ten eerste, Rv dient de beslagvrije voet van appellante dan ook te worden vastgesteld op 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm.

Gelet op de omstandigheid dat het periodieke inkomen van appellante bij het College bekend was, ziet de Raad geen aanleiding om bij het vaststellen van het maandelijks door appellante af te lossen bedrag niet uit te gaan van het feitelijke inkomen van appellante. Anders dan de rechtbank volgt de Raad derhalve niet het standpunt van het College dat appellante in het kader van de vaststelling van het maandelijkse aflossingsbedrag geacht moet worden een inkomen te hebben ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm.

Nu het feitelijke inkomen van appellante ten tijde hier in geding minder bedroeg dan 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm, bestond er geen ruimte voor het vaststellen van een aflossingsbedrag.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het College niet bevoegd was te bepalen dat appellante met ingang van 1 oktober 2004 verplicht was maandelijks een bedrag van € 93,-- af te lossen op haar schuld bij het College. Het besluit van 20 december 2004 komt dan ook wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 17 september 2004 te herroepen. Dat besluit berust immers op dezelfde onhoudbaar gebleken grond.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 december 2004;

Herroept het besluit van 17 september 2004;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.J.A. Kooijman en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M. Pijper.

PR/310107