Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
04-5000 WW +04-5001 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW- en bovenwettelijke uitkering. Verwijtbare werkloosheid. Hangend beroep nadere besluiten. Korting wegens niet-nakomen verplichtingen. Deugdelijke motivering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5000 WW + 04/5001 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 augustus 2004, 04/1812 en 04/1813 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

2. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 18 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Aarts, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv en de minister hebben een verweerschrift ingediend, waarop van de zijde van appellant is gereageerd. Desgevraagd heeft het Uwv nog nadere stukken ingezonden.

Desgevraagd heeft de Stichting Hindoe Onderwijs te kennen gegeven niet aan het geding deel te willen nemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2006. Appellant en zijn gemachtigde mr. Aarts, voornoemd, zijn verschenen. Het Uwv en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door W.G. Metus, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en het Besluit bovenwettelijke werkloos-heidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BBWO) en de op deze regelingen berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is op 1 juni 1991 in dienst getreden bij de Stichting Hindoe Onderwijs (hierna: SHO) als directeur van de basisschool [naam school] te Rotterdam. Appellant is in juni 1996 arbeidsongeschikt geworden tengevolge van hartklachten. Vanaf het najaar van 1996 tot voor de zomervakantie in 1997 heeft appellant zijn werkzaamheden weer verricht. Na een onderbreking wegens ziekte en verlof heeft appellant zijn werkzaamheden opnieuw hervat op 5 november 1998. In november 1999 heeft een beoordelings-gesprek met appellant plaatsgehad, dat voor hem negatief was. In het voorjaar van 2000 heeft [betrokkene], in dienst van SHO als directeur van de basisschool [naam school 2] te Amsterdam, de knelpunten geïnventariseerd die zich op de [naam school] voordeden. SHO heeft vervolgens een pedagoog-onderwijskundige (hierna: deskundige) een onafhankelijk onderzoek laten instellen en deze deskundige heeft op 16 juli 2000 een tussenrapport uitgebracht en in september 2000 het eindrapport. SHO heeft appellant op basis van de bevindingen, vermeld in het tussenrapport, met ingang van 17 augustus 2000 geschorst, aanvankelijk voor drie weken, daarna voor de duur van drie maanden. Appellant heeft tegen de schorsingen beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep BO/SO/VSO, ingesteld door de Verenigde Bijzondere Scholen voor onderwijs op algemene grondslag, die bij beslissing van 29 november 2000 de beroepen gegrond heeft verklaard. Appellant heeft evenwel zijn werkzaamheden niet meer hervat, omdat uit het eindrapport van de deskundige was gebleken dat appellant niet meer kon terugkeren naar de [naam school]. Vanaf het eind van 2000 tot juli 2003 zijn SHO en appellant in gesprek geweest over mogelijkheden om bij SHO met andere werkzaamheden te worden belast. In juli 2003 heeft SHO de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereen-komst verzocht. De kantonrechter heeft bij beschikking van 10 september 2003 de arbeidsovereenkomst per 15 september 2003 ontbonden wegens een gewichtige reden, bestaande uit een verandering in de omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding terzake de ontbinding aan appellant.

2.2. Vervolgens heeft appellant aanvragen ingediend voor een WW-uitkering en een BBWO-uitkering. Het Uwv en de minister hebben bij besluiten van 16 januari 2004 deze uitkeringen blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant per 15 september 2003 verwijtbaar werkloos was geworden omdat hij de hem door SHO aangeboden andere functies heeft geweigerd. Bij besluiten van 22 maart 2004 zijn de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 16 januari 2004 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen de besluiten van 22 maart 2004 beroep ingesteld. Hangende het beroep bij de rechtbank hebben het Uwv en de minister nieuwe besluiten genomen, gedateerd 16 juli 2004. Bij deze nieuwe besluiten hebben zij de besluiten van 22 maart 2004 ingetrokken, de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 16 januari 2004 gegrond verklaard en aan appellant een WW-uitkering en een BBWO-uitkering toegekend, evenwel onder toepassing van een korting van 20% gedurende 16 weken op de grond dat appellant de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten vierde, van de WW neergelegde verplichting niet is nagekomen. Het betreft de verplichting dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen tegen de besluiten van

22 maart 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft de beroepen tevens gericht geacht tegen de besluiten van 16 juli 2004, voor zover daarbij een maatregel is opgelegd van een korting van 20% gedurende 16 weken. Deze beroepen heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Tot slot heeft zij het Uwv en de minister veroordeeld tot vergoeding aan appellant van proceskosten en betaalde griffierechten.

4.1. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de beroepen tegen de besluiten van 16 juli 2004, hierna: bestreden besluiten, ongegrond zijn verklaard. Hij heeft daarbij - kort gezegd - aangevoerd dat er geen grond is voor het oordeel dat hij functies die SHO aan hem heeft aangeboden heeft geweigerd, dan wel dat hij die functies niet is gaan vervullen omdat niet zou zijn voldaan aan door hem daartoe gestelde eisen, zodat er geen grond is voor het opleggen van een maatregel.

4.2. Het Uwv en de minister hebben ter zitting van de Raad aangegeven dat zij het in de bestreden besluiten neergelegde standpunt, dat appellant de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten vierde, van de WW neergelegde verplichting niet is nagekomen, baseren op de opvatting dat appellant in september 2002 een lijst van eisen heeft ingediend met betrekking tot de hem aangeboden mogelijkheid te worden belast met de coördinatie van het Hindi-onderwijs op de drie basisscholen van SHO en dat appellant, door het stellen van deze eisen, de betrokken werkzaamheden niet is gaan verrichten.

5. In de voorhanden zijnde gedingstukken ziet de Raad een onvoldoende deugdelijke grondslag voor het door het Uwv en de minister in de aan de orde zijnde besluiten neergelegde standpunt. Hij wijst er daartoe op dat het weliswaar zo is dat appellant blijkens het verslag van het tussen SHO en appellant gehouden gesprek op 5 september 2002 een aantal eisen heeft gesteld met betrekking tot de invulling van de in dat gesprek aan de orde zijnde functie, maar dat uit het feit dat SHO vervolgens op 30 september 2002 aan de gemachtigde van appellant een brief heeft geschreven waarin is opgenomen dat appellant en SHO het eens zijn geworden over de wijze waarop appellant zijn werkzaamheden als directeur, belast met de coördinatie van het Hindi-onderwijs, zal hervatten, toch moet worden afgeleid dat de in genoemd gesprek door appellant gestelde eisen geen belemmering zijn geweest voor het bereiken van die overeenstemming. Bij deze brief was een vaststellingsovereenkomst gevoegd, waaruit blijkt dat aan een groot aantal van de door appellant gestelde eisen is tegemoet gekomen. In de brief werd verzocht per omgaande te laten weten of de vaststelling de goedkeuring van appellant heeft. Voorts moet de Raad vaststellen dat het Uwv en de minister geen nader onderzoek hebben verricht naar de vraag waarom appellant de bedoelde werkzaamheden niet heeft hervat, dan wel waarom genoemde vaststellingsovereenkomst niet ook door de directie van de [naam school 2] school is ondertekend. In dit verband acht de Raad niet zonder betekenis dat SHO in haar verzoekschrift aan de kantonrechter met betrekking tot het niet hervatten in die werkzaamheden heeft vermeld: “Volledigheidshalve moet worden vermeld dat later is gebleken dat de directeur van de [naam school 2] ook niet met de voorgestelde teksten uit de voeten kon.”

5.2. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de bestreden besluiten, voor zover in geschil, een deugdelijke motivering ontberen, zodat het Uwv en de minister in zoverre hebben beslist in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak alsmede de besluiten van 16 juli 2004 kunnen in zoverre niet in rechte stand houden.

6. De Raad ziet aanleiding het Uwv en de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb, ieder voor de helft, te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- wegens kosten van rechtsbijstand en € 17,02 wegens reiskosten, derhalve in totaal € 661,02.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart de beroepen, gericht tegen de bij de besluiten van 16 juli 2004 opgelegde maatregel van 20% gedurende 16 weken, gegrond en vernietigt deze besluiten in zoverre;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 330,51, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 330,51.

Bepaalt dat zowel het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als de Staat der Nederlanden aan appellant € 51,- vergoeden, zijnde ieder de helft van het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 102,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en H. Bolt en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) O.C. Boute.

HD

16.01