Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8716

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
04-2738 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAO-uitkering wegens bedrijfswinst. Directeur grootaandeelhouder. WAO-schatting. Bovenwettelijke uitkering. Rechtszekerheid. Informatieplicht.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2738 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 maart 2004,03/558 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 30 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Lamme, rechtshulpverlener te Naarden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lamme. Namens het Uwv is P.C.M. Satijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is in 1991 door de toenmalige Hoofddirectie van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt verklaard om zijn betrekking als registeraccountant bij de belastingdienst te vervullen; hij is herplaatsbaar verklaard voor 20 uur per week en zijn arbeidsongeschiktheidspercentage is bepaald op 55 tot 65%. Met ingang van 1 oktober 1991 is appellant in dienst getreden van [werkgever] (hierna: [werkgever]) voor 20 uur per week tegen een salaris van f. 2.600,00 per maand. In verband hiermee is hem een herplaatsingstoelage toegekend op grond van de Algemene burgerlijke pensioenwet. Op 24 februari 1992 zijn alle aandelen van [werkgever] overgedragen aan [naam BV], een b.v. waarvan appellant enig aandeelhouder was. De arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en appellant werd ongewijzigd voortgezet.

Op 1 januari 1996 is de Wet privatisering ABP (WPA) van kracht geworden en is de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van overeenkomstige toepassing geworden op overheidspersoneel. In verband hiermee is de herplaatsingstoelage per 1 januari 1996 omgezet in een WAO-conforme uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, aangevuld met een bovenwettelijke uitkering. Vanaf 17 juli 1996 is de mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 65 tot 80%.

Naar aanleiding van een in 2000 uitgevoerd opsporingsonderzoek heeft de rechtsvoorganger van het Uwv appellant bij besluit van 7 september 2000 meegedeeld dat hem van 1 oktober 1991 tot en met 30 november 1999 ten onrechte een herplaatsingstoelage alsmede een WAO-conforme uitkering en een bovenwettelijke toelage zijn uitbetaald. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 mei 2001 deelde de rechtsvoorganger van het Uwv appellant mee dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 januari 1996 minder dan 15% bedraagt. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 maart 2003 (hierna: het bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het Uwv overwogen dat hij uitsluitend bevoegd is te beslissen over de WAO-conforme uitkering en niet over de herplaatsingstoelage en bovenwettelijke toelage. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 september 2000 is, voor zover het de aanspraak op een WAO-conforme uitkering betreft, gegrond verklaard en dit besluit is niet gehandhaafd. Het bezwaar tegen het besluit van

28 mei 2001 is gedeeltelijk gegrond verklaard en dit besluit is in zoverre herzien dat de WAO-conforme uitkering met toepassing van artikel 44 WAO per 1 januari 1996 niet wordt uitbetaald en per 1 augustus 1996 wordt beëindigd.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat appellant zich niet heeft gehouden aan zijn informatieplicht in het kader van de WAO. De rechtbank was voorts van oordeel dat het Uwv het maatmaninkomen èn de inkomsten uit arbeid van appellant over de voor dit geding relevante periode niet op onjuiste wijze heeft berekend en dat het Uwv terecht tot de conclusie is gekomen dat de inkomsten uit arbeid het maatmaninkomen veruit hebben overtroffen, dat de uitbetaling van de uitkering per 1 januari 1996 moest worden beëindigd en dat het recht op uitkering met ingang van 1 augustus 1996 moest worden beëindigd.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hij steeds alle informatie heeft verschaft die nodig was voor een juiste beoordeling van zijn recht op uitkering en voorts dat het Uwv hem een veel te hoog inkomen uit arbeid heeft toegerekend. Ten onrechte is volgens hem het Uwv ervan uitgegaan dat het nettoresultaat van de ondernemingen van appellant geheel kan worden beschouwd als inkomen uit arbeid van appellant. In een grote onderneming als de zijne bestaat volgens hem geen enkel verband tussen het persoonlijk arbeidsinkomen en het resultaat van de onderneming. De belastingdienst gaat uit van een gebruikelijke beloning van f. 120.000,00 per jaar voor een DGA van een onderneming als de zijne zodat, nu appellant slechts 20 uur per week werkte van een persoonlijk arbeidsinkomen van f. 60.000,00 moet worden uitgegaan.

De Raad overweegt als volgt.

Appellant was vanaf 24 februari 1992 via [naam BV] directeur-grootaandeelhouder van [werkgever] en had, blijkens de verklaringen die hijzelf en anderen tegenover de opsporingsfunctionarissen hebben afgelegd, de feitelijke leiding over [werkgever] en over een groot aantal BV’s waarvoor [werkgever] als beheersmaatschappij optrad. Blijkens de gedingstukken had appellant ook de zeggenschap over de gelden die binnen de diverse ondernemingen omgingen en was hij onweersproken degene die de bestemming van de winst bepaalde. Appellant kon bij voorbeeld bepalen dat [werkgever] leningen aan hem verstrekte ten behoeve van de privé-aankoop van bedrijfspanden, welke panden door appellant weer werden verhuurd. Appellant kon verder beslissen dat hem geen arbeidsbeloning werd uitbetaald en dat de nettowinst in het bedrijf bleef. Nu appellant arbeid van aantoonbare loonwaarde heeft verricht waarmee hij zichzelf direct of indirect heeft verrijkt, heeft het Uwv terecht aanleiding gezien om met ingang van 1 januari 1996 – de datum waarop de WAO op appellant van toepassing is geworden – de kortingsbepalingen van de WAO toe te passen. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad heeft het Uwv ten aanzien van het begrip inkomen in het kader van de sociale werknemersverzekeringswetten een eigen beoordelingsruimte en geldt als hoofdregel dat voor het inkomen van zelfstandigen wordt uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde nettowinst. De fiscale bedrijfswinst van [werkgever] is vastgesteld op f. 1.322.067,00 voor 1994, f. 1.191.098,00 voor 1995 en f. 2.500.746,00 voor 1996. De Raad wil aannemen dat appellant in de periode in geding ernstige gezondheidsklachten ondervond die hem noodzaakten veelvuldig in het ziekenhuis te verblijven, dan wel voor hem een reden vormden om niet op het werk te verschijnen. Dat doet er echter niet aan af, dat hij ondanks die gezondheidsklachten, zijn ondernemerschap kennelijk dusdanig gestalte wist te geven dat de door hem gedreven ondernemingen jaarlijks een substantiële winst maakten. Zelfs al zou, in afwijking van genoemd uitgangspunt, slechts een kwart van de winst over 1996 aan de persoonlijke arbeidsinbreng van appellant worden toegeschreven dan nog gaan deze inkomsten ver boven het door het Uwv vastgesteld

- en door appellant niet betwiste - maatmaninkomen van f. 103.628,16 per jaar uit. Het Uwv heeft daarom terecht aanleiding gezien de uitbetaling van de uitkering met toepassing van artikel 44 van de WAO per 1 januari 1996 op nihil te stellen.

Met betrekking tot de beëindiging van het recht op uitkering per 1 augustus 1996 overweegt de Raad dat het Uwv hieraan ten onrechte het tweede lid van artikel 44 WAO ten grondslag heeft gelegd. Immers, op 1 augustus 1996 was er nog geen sprake van het verstrijken van de in deze bepaling genoemde maximale termijn van drie jaren. Naar het oordeel van de Raad was er op die datum echter wel sprake van een situatie waarin vaststond dat de door appellant verrichtte arbeid als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO, moest worden aangemerkt, zodat om die reden de toepassing van artikel 44, tweede lid, WAO beëindigd kon worden. Immers, appellant verrichtte die arbeid al jarenlang en hij genereerde daarmee duurzaam inkomsten die zijn maatmanloon verre te boven gingen. Het Uwv mocht daarom op basis van artikel 36 van de WAO tot een schatting per 1 augustus 1996 overgaan en heeft terecht aanleiding gezien voor het oordeel dat appellant per die datum niet meer arbeidsongeschikt in de zin van de WAO was zodat de uitkering beëindigd diende te worden.

Met betrekking tot de vraag of de door het Uwv aan zijn besluitvorming gegeven terugwerkende kracht in strijd moet worden geacht met het beginsel van de rechtszekerheid overweegt de Raad als volgt.

Met de rechtbank en het Uwv is de Raad van oordeel dat appellant de op hem rustende informatieplicht onvoldoende is nagekomen. Betrokkene heeft het Uwv er op geen enkel moment van op de hoogte gesteld dat zijn status als werknemer al in 1992 was veranderd in die van directeur-grootaandeelhouder, noch heeft hij aangegeven dat de resultaten van zijn ondernemingen buitengewoon goed waren. Het toezenden van salarisstroken waaruit het Uwv zou kunnen afleiden dat ten aanzien van appellant geen werknemerspremies meer werden afgedragen dan wel de vragenderwijs gemaakte opmerking in een gesprek met de arbeidsdeskundige of hij eigenlijk nog wel in aanmerking zou moeten komen voor een WAO-uitkering kan de Raad evenmin aanmerken als een juiste uitvoering van de op appellant rustende informatieplicht. Hetzelfde geldt voor de door [werkgever] in het kader van de premieheffing werknemersverzekeringen aan het Uwv gedane loonopgaven waarbij appellant als niet-verzekerd is aangemerkt. Appellant is zelf verantwoordelijk voor het verstrekken van volledige, juiste en ondubbelzinnige inlichtingen. Hij kan voorts zijn verantwoordelijkheid niet relativeren met een verwijzing naar de slechte organisatie van het Uwv. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat het hem redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat zijn inkomen als DGA mogelijk van invloed was op het recht op of de hoogte van zijn uitkering. Immers, een arbeidsongeschiktheidsuitkering is een (gedeeltelijke) compensatie voor het verlies van loon vanwege ziekte. Wanneer een uitkeringsgerechtigde arbeid gaat verrichten en in verband daarmee inkomsten ontvangt is er geen sprake meer van loonverlies dan wel sprake van loonverlies in verminderde mate en ligt het voor de hand dat een en ander van invloed kan zijn op de uitkering.

Nu het Uwv zonder enige twijfel andere besluiten zou hebben genomen wanneer appellant de juiste en volledige gegevens omtrent zijn arbeid en inkomen zou hebben verstrekt is er geen aanleiding de toepassing van artikel 44 van de WAO en de beëindiging van de uitkering met terugwerkende kracht in strijd met de rechtszekerheid te oordelen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.