Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
04-4681 WAO + 05-2181 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting, bij nader en tweede nader besluit herziening. Schadevergoeding? Kosten vergoeding bezwaarfase? Kosten rechtsbijstand? Wettelijke rente? Kosten van opvragen medische informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4681 WAO

05/2181 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2004, 03/3098 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 22 december 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Appellante ontving laatstelijk een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit van 4 juni 2003 heeft het Uwv deze uitkering per 14 juli 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Appellante heeft zelf bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 19 september 2003 zijn haar bezwaren ongegrond verklaard.

Namens appellante is tegen dit besluit beroep ingesteld. Daarbij is een rapport overgelegd van het Instituut Psychosofia, centrum voor spirituele geneeswijze en spirituele dans.

Door het Uwv is op 27 mei 2004 een nieuw besluit genomen op de bezwaren van appellante. De bezwaren zijn gegrond verklaard, en de WAO-uitkering van appellante wordt op en na 14 juli 2003 ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 19 september 2003 niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 27 mei 2004 vernietigd, onder gegrondverklaring van het beroep daartegen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante onvoldoende heeft gemotiveerd, nu uit de onderliggende stukken blijkt dat een schatting op feitelijke verdiensten zou leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand van appellante ten bedrage van € 322,--. Voor vergoeding van door appellante tijdens de bezwaarprocedure gemaakte kosten of van andere proceskosten heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.

In hoger beroep is namens appellante verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van de schade die appellante lijdt en nog zal lijden.

Het Uwv heeft in de uitspraak berust en heeft een nader besluit van 5 april 2005 genomen, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Daarbij is besloten om de WAO-uitkering van appellante per 14 juli 2003 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

In reactie hierop is namens appellante bij brief van 10 mei 2005 aangegeven waar het hoger beroep nog betrekking op heeft. De Raad dient naar het oordeel van appellante nog te oordelen over de schade die zij heeft geleden in bezwaar en beroep, alsmede over de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellante zich niet richt tegen het besluit van 5 april 2005 en de daarbij nader vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 55 tot 65% vanaf 14 juli 2003. De Raad leest de grieven aldus, dat deze zijn gericht op de hoogte van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, het ontbreken van een veroordeling tot vergoeding van de in de bezwaarfase door appellante gemaakte kosten en het ontbreken van een veroordeling tot vergoeding van de door appellante geleden schade.

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding stelt de Raad vast, anders dan de rechtbank heeft gedaan, dat namens appellante ook in eerste aanleg vergoeding is gevorderd van geleden schade die in verband staat met de onrechtmatigheid van het besluit van 19 september 2003. De Raad is van oordeel dat deze vordering ook geacht moet worden betrekking te hebben op de vergoeding van wettelijke rente. Aangezien het Uwv tijdens de procedure bij de rechtbank een nader besluit heeft genomen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per de datum in geding is verhoogd, heeft appellante belang gehouden bij vernietiging door de rechtbank van het besluit van 19 september 2003. Het beroep daartegen had door de rechtbank dan ook niet niet-ontvankelijk moeten worden geacht, maar gegrond, onder vernietiging van het genoemde besluit, en met veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente.

Inmiddels heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 14 juli 2003 bepaald op 55 tot 65%.

De vordering tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering komt naar het oordeel van de Raad voor toewijzing in aanmerking. Voor de wijze waarop het Uwv het te betalen bedrag dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

De overige gevorderde schade is niet of onvoldoende gespecificeerd, of betreft naar zijn aard kosten die mogelijk als proceskosten als bedoeld in het bepaalde in artikel 8:75 en niet als schade in de zin van artikel 8:73 van de Algemene wel bestuursrecht (Awb) kunnen worden gekwalificeerd. De vordering van schade anders dan in de vorm van wettelijke rente als voren aangegeven dient derhalve te worden afgewezen.

De Raad ziet geen reden het onderzoek op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 8:73 van de Awb te heropenen.

De grief van appellante aangaande de afwijzing door de rechtbank van de vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase, ziet de Raad niet slagen. Blijkens de gedingstukken is appellante in de bezwaarfase niet bijgestaan door een (professionele) gemachtigde zodat niet is gebleken dat appellante mogelijk te vergoeden kosten van rechtsbijstand heeft gemaakt. Bovendien is niet gebleken dat om vergoeding van deze eventuele kosten door of namens appellante tijdens de bezwaarfase is verzocht en is niet duidelijk geworden om welke kosten het nu precies gaat.

Gelet op hetgeen hieromtrent is aangevoerd, hebben de overige gevorderde proceskosten betrekking op de vergoeding van verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, op de vergoeding van de kosten verbonden aan het inschakelen van medische adviseurs en op het opvragen van medische inlichtingen.

De kosten van het opvragen van medische inlichtingen komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat niet duidelijk is geworden om welke kosten en welke inlichtingen het gaat.

De gevorderde kosten van de ingeschakelde medisch adviseur betreffen de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van het rapport van mevrouw Verhage, directrice van het Instituut Psychosofia. Zoals de Raad eerder in een aantal uitspraken tot uitdrukking heeft gebracht, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 april 2006, LJN AW8205, zijn de door Psychosofia uitgebrachte rapporten niet afkomstig van een (medisch) deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Evenals de rechtbank, zij het op andere gronden, is de Raad derhalve van oordeel dat de aan het uitbrengen van genoemd rapport verbonden kosten niet op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van de kosten van verleende rechtsbijstand in eerste aanleg is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte die vergoeding heeft vastgesteld op € 322,--. Zowel voor het indienen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank dient een punt te worden toegekend, zodat de te vergoeden kosten van rechtsbijstand voor de procedure bij de rechtbank een bedrag betreft van € 644,--.

Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend, komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 19 september 2003 niet-ontvankelijk is verklaard, en voor zover het de proceskostenveroordeling betreft. Voor het overige dient de uitspraak te worden bevestigd.

Het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 19 september 2003 is gegrond en het besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal worden veroordeeld tot vergoeding van schade in de vorm als wettelijke rente als voren is aangegeven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

19 september 2003 niet-ontvankelijk is verklaard en voor zover het Uwv daarbij is veroordeeld in de proceskosten van appellante;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Verklaart het inleidend beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 19 september 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente als in rubriek II is aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 102,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, en A.T. de Kwaasteniet en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.