Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8568

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
06-910 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsplicht? Privaatrechtelijke dienstbetrekking? Persoonlijke arbeidsverplichting? Gezagsrelatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/910 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 januari 2006, 05/1464 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 januari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.T. Schoenmakers, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens het Uwv is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2006. Namens appellante zijn daar verschenen

L.H.L.M. [S.], directeur, mr. F.H.L. Vossen, advocaat te Breda als raadsman, en drs. J.M.T.M. [V. d. N.], [functie]. Het Uwv heeft zich na schriftelijk bericht vooraf niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De centrale vraag welke in dit geding dient te worden beantwoord, is of de voor appellante in de periode van 17 augustus 1998 tot en met 31 december 2000 werkzame [functie] J.M.T.M. [V. d. N.] (hierna: [V.]), belast met verrichtingen tot stroomlijning en afbouw van de activiteiten van de betrokken organisatie, zulks heeft gedaan als werknemer in een uit een privaatrechtelijke dienstbetrekking voortvloeiende gezagsrelatie in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en aldus verzekeringsplicht van rechtswege op zich van toepassing heeft doen worden.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank die vraag, in overeenstemming met de in het na bezwaar genomen besluit van 21 maart 2005 gehandhaafde zienswijze van het Uwv, in bevestigende zin beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank de argumentatie van het Uwv steekhoudend geacht door te verwijzen naar het raamwerk van schriftelijke afspraken en evaluatiegesprekken benevens de mogelijkheid van contractuele beëindiging. Van doorslaggevende betekenis is door de rechtbank geacht dat in evenbedoelde met [V.] als [functie] te voeren evaluatiegesprekken hij kon worden aangesproken op zijn functioneren, waaraan niet afdoet dat het gespreksonderwerp vooral de voortgang van het projekt was. Daaraan is toegevoegd dat anno 2000 sprake was van vervanging van een manager in vaste dienst. Daardoor is volgens de rechtbank [V.] op goede gronden in het in geding zijnde besluit van 21 maart 2005 verplicht verzekerd geacht in de periode van 17 augustus 1998 tot en met 31 december 2000.

Namens appellante is dit standpunt in hoger beroep gemotiveerd bestreden. Daarbij wordt hoofdzakelijk aan de hand van de bedoeling van betrokkenen het bestaan van een gezagsrelatie naar [V.] toe uitgaande van slechts een beperkte instructiebevoegdheid bestreden. Daarenboven wordt het bestaan van een fictief dienstverband ontkend.

De Raad komt dienaangaande tot de volgende beoordeling.

De verplichte persoonlijke arbeidsverrichting van [V.] komt de Raad gelet op de aard van de werkzaamheden en het belang van te betrachten continuïteit en het daadwerkelijk uitblijven van vervanging met partijen gegeven voor.

Voorts brengt de gevoelige aard van de werkzaamheden van [V.] in het kader van de bijstelling en ontmanteling van de organisatie een relatief hoog honorarium mee, welke de Raad niet disproportioneel acht als reguliere contraprestatie voor verrichte arbeid.

Tenslotte acht de Raad in het licht van de stukken en de verklaringen ter zitting ook het bestaan van een gezagsrelatie tussen appellante en [V.] voldoende aannemelijk. Gezien de tussen haar en [V.] geldende contractuele bepalingen, de aard en ingrijpendheid van de uiterst gevoelige processen van respectievelijk stroomlijning, ontmanteling en uithuisplaatsing waarbinnen [V.] op nagenoeg aaneengesloten projektbasis ook ter vervanging van een vaste kracht ten tijde in geding op delicate wijze moest opereren, de gelegenheid tot controle en bijsturing door het eerstverantwoordelijk noodmanagement welke de evaluatiebijeenkomsten - om de twee weken - toch metterdaad boden en de toegegeven invloed van het centraal gezag, respectievelijk opdrachtgever op de vervulling van de deelopdrachten door [V.] zelf, de screening van de ingediende uurdeclaratiestaten en bereikte resultaten benevens als laatste middel de niet uit te sluiten contractuele beëindiging bij niet congruent functioneren acht de Raad het praktisch ondenkbaar dat het bestaan van een ruime feitelijke gezagsrelatie tussen appellante en [V.] voor reële ontkenning vatbaar is. De andersluidende bedoelingen van betrokkenen gegeven ook de bij laatstgenoemde bestaande vrijheid en gebleken bekwaamheden doen hieraan naar het oordeel van de Raad ten principale niet af.

Op grond van het vorenstaande wordt de in de eerste alinea van deze rubriek aangegeven centrale vraag met de rechtbank door de Raad in bevestigende zin beantwoord en komt hij niet meer toe aan de opgeworpen vraag naar de al dan niet aanwezigheid van een fictief dienstverband voor [V.].

Het hoger beroep van appellante slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) D. Olthof.