Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
06-922 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Niet woonachtig in gemeente. Toezeggingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/922 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 januari 2006, 05/594 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.B. van den Toorn-Volkers, advocaat te Made, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2007. Voor appellant is verschenen mr. Van den Toorn-Volkers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. den Ottelander, werkzaam bij de gemeente Halderberge.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving van het College sedert 27 juli 1998 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Het College heeft per 1 maart 2004 de betaling van de bijstand geblokkeerd.

Appellant heeft van 27 juli 1998 tot 15 maart 2004 ingeschreven gestaan in het

GBA-register van de gemeente Halderberge.

Op grond van de bevindingen van het rechtmatigheidsonderzoek door de Afdeling Fraudebestrijding van de gemeente Breda, neergelegd in een rapport van 24 mei 2004, heeft het College bij besluit van 20 juli 2004 de aan appellant verleende bijstand met ingang van 1 maart 2004 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant blijkens voormeld rapport sinds 1 maart 2004 niet meer feitelijk woonachtig is in de gemeente Halderberge.

Bij besluit van 11 januari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

20 juli 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

11 januari 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat het College de intrekking van de bijstand ingaande

1 maart 2004 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 maart 2004 tot en met 20 juli 2004.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat het recht op bijstand jegens het College van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in artikelen 1:10, eerste lid, en 1:11, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de beschikbare gegevens voldoende aannemelijk is geworden dat appellant op 1 maart 2004 niet woonachtig was in de gemeente Halderberge, zodat appellant jegens het College geen recht op bijstand had. Bij haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het College als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Eiser heeft, daarnaar door de rechtbank gevraagd, ter zitting verklaard dat hij op 1 maart 2004 feitelijk niet meer woonde in de gemeente Halderberge. Dit is tussen partijen derhalve niet meer in geschil. De rechtbank voegt hieraan toe dat zij in het rapport fraudebestrijding voldoende aanwijzingen heeft gevonden dat eiser ten tijde in geding inderdaad niet meer feitelijk woonachtig was in verweerders gemeente, eiser had derhalve naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 40, eerste lid, van de Wwb, ten tijde in geding geen recht meer op een bijstandsuitkering in die gemeente. Aan dit standpunt doet niet af dat eiser tot 15 maart 2004 in het GBA-register ingeschreven stond in de gemeente Halderberge.

Naar aanleiding van eisers grief dat de burgemeester hem in januari 2003 heeft toegezegd dat als hij het woonwagenkamp Oud Gastel zou verlaten, dit geen gevolgen zou hebben voor zijn bijstandsuitkering, overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank acht een dergelijke toezegging van de burgemeester niet aannemelijk. In dit verband wordt verwezen naar de brief van de burgemeester van 16 november 2004 aan de voorzitter van de commissie, waarin hij zo’n toezegging uitdrukkelijk ontkent. Ook in de ander gedingstukken heeft de rechtbank geen concrete aanknopingspunten gevonden voor een dergelijke toezegging.”.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting geven de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak. De Raad onderschrijft voornoemd oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hij voegt er nog aan toe dat appellant niet alleen op 1 maart 2004, maar ook nadien gedurende de gehele te beoordelen periode geen woonplaats had in de gemeente Halderberge. Voort overweegt de Raad dat de toestemming aan appellant om tijdelijk buiten de gemeente te verblijven met behoud van bijstand op een geheel andere periode betrekking had dan hier aan de orde.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th. C. van Sloten als voorzitter en J.J.A. Kooijman en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier,

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M. Pijper.