Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
04-4656 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-toe te kennen. Geschiktheid voor eigen werk bij andere werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4656 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2004, 03/2871 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 oktober 2006 heeft mr. De Jonge een brief van 19 september 2006 van de Directrice van Instituut Psychosofia Centrum voor Spirituele geneeswijze Spirituele Dans, verder: Instituut Psychosofia, ingezonden.

Bij brief van 3 november 2006 heeft het Uwv een schriftelijke reactie van 1 november 2006 van de bezwaarverzekeringsarts V.K. Ramautar ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 12 september 2003, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een besluit van 2 oktober 2002, waarbij appellant met ingang van 30 oktober 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geweigerd. Appellant wordt door het Uwv vanwege ziekte of gebrek niet ongeschikt geacht tot het verrichten van zijn eigen werk als gastheer in een verpleeghuis voor 32 uur per week, zij het bij een andere werkgever.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak, waarin appellant "eiser" en het Uwv "verweerder" wordt genoemd, is daartoe onder meer het volgende overwogen:

" De rechtbank kan zich verenigen met het door verweerder gehanteerde uitgangspunt inzake verzekeringsgeneeskundige advisering. Dit uitgangspunt komt erop neer dat de verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is evenwel aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over diens beperkingen.

Dergelijke omstandigheden doen zich hier niet voor. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat uit de door eiser overgelegde brief van het Instituut Psychosofia blijkt dat de huisarts noch de behandelend neuroloog duidelijk objectiveerbare afwijkingen bij eiser hebben geconstateerd.

In dit verband wordt nog overwogen dat bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling een individuele benadering aan de hand van de voorhanden objectief vaststaande medische en feitelijke gegevens op zijn plaats is. In het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving is namelijk niet het klachtenpatroon als zodanig van doorslaggevende betekenis doch een positief antwoord op de vraag of betrokkene op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid (zijnde in dit geval het eigen werk, bij een andere werkgever) niet (in volle omvang) kan of mag

verrichten. De rechtbank heeft, mede gelet op hetgeen namens eiser is aangevoerd, onvoldoende medisch geobjectiveerde aanknopingspunten gevonden om deze vraag in het geval van eiser bevestigend te beantwoorden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, met name op grond van voornoemde medische onderzoeken, terecht vastgesteld dat eiser geen beperkingen tengevolge van ziekte of gebrek heeft, maar dat zijn arbeidsongeschiktheid een situatieve is. Het is de rechtbank niet gebleken dat deze onderzoeken op onzorgvuldige wijze zijn verricht of overigens niet mede aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen worden gelegd."

In hoger beroep is namens appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestreden. Daarbij is gewezen op de inhoud van de brieven van Instituut Psychosofia.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt vast dat de van behandelend artsen afkomstige en ter zitting van de Raad door mr. De Jonge desgevraagd en met instemming van de gemachtigde van het Uwv alsnog overgelegde medische gegevens over appellants gezondheidstoestand rond de datum in geding, 30 oktober 2002, niet wijzen op een op ziekte of gebrek berustende ongeschiktheid van appellant voor zijn werk als gastheer op die datum.

De neuroloog C.J. Gijsbers schrijft in een brief van 1 november 2002 aan de huisarts dat hij bij neurologisch onderzoek geen bijzonderheden heeft gevonden en dat de gemaakte CT-scan van de hersenen normaal was.

De chirurg E.R. Snijder schrijft in een brief van 19 november 2002 aan mr. De Jonge dat appellant in juni 2002 voor de tweede keer is geopereerd aan spataderen en dat wat de spataderen betreft de prognose goed mag worden genoemd. Wel had appellant enige dagen na de operatie veel klachten over de nek en de borst die volgens appellant door die operatie waren veroorzaakt.

De huisarts J.A. Imhoff tekent op 12 januari 2003 op de print van het journaal over appellant aan:

"Zoals u ziet, en ook uit gegevens van de neuroloog blijkt, zijn de klachten op geen enkele wijze te verklaren als somatisch. Er is sprake van een sterk neurotische inslag met somatiseren."

Deze bevindingen sporen met de bevindingen van de verzekeringsarts J.A.C. de Bekker die appellant op 22 augustus 2002 uitvoerig heeft onderzocht en bij zijn onderzoek ook aandacht heeft besteed aan de psyche van appellant en met de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff, aan wiens rapport van 18 mei 2003 de Raad het volgende ontleent:

"De arboarts achtte belanghebbende op 20-3-02 reeds in staat tot het verrichten van het eigen werk op arbeidstherapeutische basis. Dit werd bevestigd door de verzekeringsarts-UWV (Mathey-Groeneveld). De huisarts vindt geen duidelijke objectiveerbare afwijkingen zoals blijkt uit de brief van het Instituut voor Psychosofia.

De neuroloog vindt geen duidelijke objectiveerbare afwijkingen zoals blijkt uit de brief van het Instituut voor Psychosofia. De primaire verzekeringsarts (de Bekker) vond geen duidelijke objectiveerbare afwijkingen buiten de spataderen.

De vaatproblemen bestaan al jaren (1981). Belanghebbende heeft hiermee lange tijd (vanaf 1995) zijn eigen werk verricht waardoor er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat belanghebbende thans zijn eigen werk niet zou kunnen verrichten wegens de vaatproblemen. Verder was de vaatoperatie succesvol. "

De hiervoor vermelde gegevens en bevindingen van de behandelend artsen van appellant en van de verzekeringsartsen van het Uwv hebben de Raad tot de conclusie geleid dat appellant op de datum in geding, 30 oktober 2002, niet vanwege ziekte of gebrek ongeschikt was tot het verrichten van zijn werk als gastheer gedurende 32 uur per week bij een andere werkgever, zodat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO op die datum geen sprake was.

De Raad merkt nog op dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen.

Aan de eigen mening van appellant, zijn gemachtigde en het Instituut Psychosofia met betrekking tot appellants gezondheidstoestand kan de Raad, in aanmerking genomen dat slechts dan sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten, niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht willen zien, nu zij in hun opvatting onvoldoende gesteund worden door van artsen afkomstige gegevens en bevindingen.

De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.