Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
04-4854 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Arbeidsongeschiktheid geen gevolg van ziekte of gebrek. Karaktertrek.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4854 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 juli 2004, 04-110 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007. Namens appellante is verschenen mr. M.W. Eschauzier, kantoorgenoot van mr. Brink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 18 december 2001 heeft het Uwv appellante met ingang van 4 december 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd.

Vervolgens is het bezwaar van appellante bij besluit van 18 juni 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft op 14 mei 2003 het beroep tegen het besluit van 18 juni 2002 gegrond verklaard en het besluit van 18 juni 2002 vernietigd en bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven.

Het Uwv heeft bij besluit van 2 december 2003, verder: het bestreden besluit, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 december 2001 ongegrond verklaard. Het Uwv is van mening dat het besluit van 18 december 2001 op juiste gronden is genomen.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is, kort gezegd, van oordeel dat het Uwv uiteindelijk een zorgvuldig medisch onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Appellante voldoet per datum in geding naar het oordeel van de rechtbank niet aan de voorwaarde die geldt voor het recht op een WAO-uitkering, namelijk dat de arbeidsongeschiktheid een gevolg is van ziekte of gebrek.

In hoger beroep heeft appellante haar tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.

De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medisch aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad.

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 14 mei 2003 heeft de bezwaarverzekeringsarts medische informatie opgevraagd bij de behandelend psychotherapeute J.T. Krijger.

Op de inhoud van deze brief is gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst in een rapport van 14 november 2003, waaraan de Raad het volgende ontleent:

”Er is geen sprake van een in de persoon gelegen stoornis, maar van een reactie op de omgeving. Daarbij spelen diverse factoren een rol. Een van de belangrijkste is ongetwijfeld dat zij doordat zij de taal niet beheerst volkomen geïsoleerd is van haar omgeving. Zij onderneemt geen andere activiteiten dan zich neerleggen bij de problematiek, daarmee de slachtofferrol vervullend. Hoezeer hulp voor haar ook nuttig moge zijn (onafhankelijk van door wie hulp wordt verleend) kan hier toch niet van ziekte worden gesproken: er is primair sprake van een karaktertrek.”

De Raad is in lijn met het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van oordeel dat in het onderhavige geval op de datum in geding er geen sprake is van op ziekte of gebrek in de zin van de WAO berustende verminderde belastbaarheid van appellante.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellante verzocht, is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls

TM