Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
04-7141 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-Schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7141 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 november 2004, 03/1675 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Koelewijn heeft bij brief van 18 maart 2005 hierop gereageerd.

Vervolgens heeft het Uwv een reactie van 11 april 2005 van de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 27 juni 2003, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen een eerder besluit gegrond verklaard en appellant met ingang van 2 december 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Die toekenning berust op het oordeel van het Uwv dat appellant op de datum 2 december 2002 drie functies kon vervullen, te weten: meteropnemer met 18 arbeidsplaatsen, objectbewaker met 25 arbeidsplaatsen en bezorger leesportefeuille met

19 arbeidsplaatsen en daarmee een zodanig inkomen kon verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit 35 tot 45% in de zin van de WAO bedraagt.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de belastbaarheid van appellant door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv na zorgvuldig onderzoek is vastgesteld en niet is overschat.

De hiervoor genoemde functies acht de rechtbank voor appellant geschikt.

In hoger beroep heeft appellant onder meer doen stellen dat niet voldaan zou zijn aan de motiveringsplicht en dat hij zich meer beperkt acht dan het Uwv heeft aangenomen.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende.

De stelling dat appellant meer beperkt zou zijn dan het Uwv heeft aangenomen is in hoger beroep niet met medische gegevens onderbouwd.

De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medisch aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad.

Dat de toelichting op signaleringen van mogelijke overschrijdingen in de hiervoor genoemde functies onvoldoende is geweest, heeft de Raad niet kunnen vaststellen.

In de bezwaarfase hebben de bezwaararbeidsdeskundige L. de Ponti en de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer uitvoerig en per functie toegelicht waarom zij appellant in staat achten de geselecteerde functies te vervullen. De Raad acht die toelichting voldoende en merkt op dat bij de in hoger beroep aangevoerde bezwaren tegen de geselecteerde functies zonder onderbouwing ervan wordt uitgegaan dat appellant meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.