Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
13-02-2007
Zaaknummer
05/2984
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezien inhoud bezwaarschrift, ten onrechte aangemerkt als prematuur bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2984 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2005, 04/582 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2006. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 27 april 2001 heeft het Uwv aan appellant na afloop van de voor hem geldende wachttijd, met ingang van

9 april 2001, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Met ingang van 25 mei 2001 heeft appellant zich ziek gemeld wegens toegenomen klachten ten gevolge van een hem overkomen auto-ongeluk.

Bij brief van 12 februari 2003 heeft de gemachtigde van appellant het Uwv verzocht te beoordelen of appellant onder toepassing van artikel 39a van de WAO (Wet Amber) in aanmerking kan worden gebracht voor verhoging van zijn uitkering.

Bij besluit van 14 februari 2003, heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid ongewijzigd dient te worden vastgesteld en dat er geen redenen zijn wijzigingen aan te brengen in de hoogte en uitbetaling van zijn uitkering.

Namens appellant is bij brief van 19 maart 2003 een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit.

Bij besluit van 24 juli 2003 heeft het Uwv afwijzend beslist op het in de brief van 12 februari 2003 vervatte verzoek.

Bij besluit van 24 december 2003 heeft het Uwv beslist op het bezwaarschrift van 19 maart 2003. Het Uwv heeft dit bezwaarschrift daarbij enerzijds opgevat als te zijn gericht tegen het besluit van 14 februari 2003. In zoverre heeft het Uwv het bezwaarschrift gegrond verklaard en de uitkering van appellant met ingang van 24 mei 2002 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft evengenoemd bezwaarschrift anderzijds tevens opgevat als een prematuur bezwaarschrift dat is gericht tegen het besluit van 24 juli 2003. In zoverre heeft het Uwv het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van 24 december 2003 (hierna: het bestreden besluit).

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep, voor zover gericht tegen de gegrondverklaring van het bezwaar en daaruit voortvloeiende herziening (door de rechtbank aangeduid als “deelbesluit 2”) niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en het beroep, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar met tegen het besluit van 24 juli 2003 (door de rechtbank aangeduid als “deelbesluit 1”) ongegrond verklaard.

Aangezien de uitspraak van de rechtbank slechts is aangevochten, voor zover deze betrekking heeft op dat onderdeel van het bestreden besluit dat deelbesluit 1 betreft is het geding in hoger beroep daartoe beperkt.

De Raad overweegt het volgende.

Het bezwaarschrift van 19 maart 2003 bevat onder meer de volgende passage:

“Indien uw beslissing d.d. 14 februari zou moeten betekenen maar dit blijkt hier op geen enkele wijze uit en is derhalve niet goed gemotiveerd dat op grond van de Wet Amber de WAO uitkering van de heer [appellant] niet wordt verhoogd naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% dan wordt hierbij tegen deze beslissing bezwaar ingediend.”

Naar het oordeel van de Raad laat deze passage redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat de gemachtigde van appellant zelf heeft onderkend dat (nog) geen beslissing tot stand was gekomen op het in de brief van 12 februari 2003 vervatte verzoek. Ook overigens zijn er geen goede gronden om te concluderen dat hier zich de situatie, beschreven in

artikel 6:10, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, voordoet (Awb). Hieruit volgt dat het Uwv dit geschrift ten onrechte heeft aangemerkt als (mede) te zijn gericht tegen het besluit van 24 juli 2003. Het Uwv had zich bijgevolg bij het bestreden besluit moeten beperken tot het geven van een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2003. Het Uwv heeft dit, evenals de rechtbank, miskend. Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen deelbesluit 1 ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op

€ 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op dat onderdeel van het besluit van 24 december 2003 dat betrekking heeft op het besluit van 24 juli 2003;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 24 december 2003 in zoverre;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 134,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) S.R. Bagga.